Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
287
aantal der stampers in de bloemen der verschillende planten,
even als dat der meeldraden, doch niet altijd hiermede ge-
evenredigd, van 1 tot 10 en zelfs veel meer kan afwisselen.
Zoo gij echter éénen stamper in eene bloem aantreft, is de
oorsprong daarvan niet altijd even eenvoudig. Eenige in den-
zelfden krans staande deelen im-
mers kunnen zoodanig, met hunne
randen vereenigd, uitgroeijen, dat
er slechts één vruchtbeginsel met
ééne holte ontstaat. In andere ge-
vallen kan hetzelfde geschieden,
doch daarbij nog eene meer of
minder diepe binnenwaartsche in-
buiging dier randen plaats hebben,
en daardoor zal men dan de holte
van het vruchtbeginsel in eenige
meer of minder volkomen afgeslo-
tene hokken verdeeld vinden.
Terwijl men die allen nog «enkelvoudige" stampers noemt,
wordt op andere de naam van »zamengestelde" toegepast, op
die namelijk, waar verschillende stampers, tot dezelfde bloem
behoorende, hunnen enkelvoudigen oor-
sprong uitwendig duidelijk vertoonen,
hoewel zij vaak niet geheel vrij blijven
met hunne buitenwanden, — namelijk
in meerderen of minderen graad, regt-
streeks of middellijk, onderling zamen-
hangen. Ter bepaling van den één- of
meervoudigen oorsprong strekken in
twijfelachtige gevallen verschillende
aanwijzingen; zoo b. v. de op het
vruchtbeginsel zigtbare sleuven (zijnde
S87. Dwarse doorsneden van tot vrnehtomhulsels gerijpte vruciitbeginsels. A. Een
der drie, afkomstig uit eene. bloem van het nieskruid (Helléborus), inbuiging van 1
deel tot aan de zijranden; B. uit eene bloem van het viooltje {Viola): inbuiging van
3 deelen tot aan de zijranden. C. Uit eene bloem van den maankop (Papaver): inbui-
ging van 12 deelen tot aan de zijranden en verdere binnenwaartsche buiging; door-
dien hier deze ingebogene deelen zich niet in het midden der holte van het vrucht-
beginsel ontmoeten, noemt men de t uss c he ns ch o 11 en en hokken, door deze
ingebogene deelen gevormd, onvolledige, In tegenoverstelling van volledige,
waar zü wel met elkander In het midden der holte vereenigd raken (flg. 389 b).
388. A. Drie stampers uit èéne bloem van den monnikskap (Aconitum)-, alleen aan
388. Zamengestelde stampers.