Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
285
ZameDstellen^e deelen
der stampers.
per, dus ook geen vruchtbeginsel; de zaadknoppen liggen
hierbij onbedekt. Bij alle overige zaadplanten, derhalve bij de
bedektzadigen, komen in de tweeslachtige en vrouwelijke
bloemen (z. b. bl. 239) een of meer stampers voor, waarvan
zich het vruchtbeginsel gewoonlijk als een hol, eenigzins lang-
werpig-rond gesloten deel voordoet, hetwelk bovenwaarts in
een meestal smaller buisvormig deel — den stijl — kan
uitloopen, op welks top men eene eenig-
zins sponzige celmassa — den stem-
pel — vinden kan. Somtijds zijn de beide
laatste deelen slechts zeer onvolledig
ontwikkeld, of wel ontbreekt een van
beiden (en alsdan vooral de stijl) geheel.
Een belangrijk onderscheidings-ken-
merk voor bepaalde bloemen en mitsdien
voor bepaalde planten en plantengroepen
is gelegen in de betrekkelijke plaatsing
van het vruchtbeginsel en de omhulsels
en meeldraden derzelfde bloem. Vindt men het in de ontlokene
bloem hooger dan deze kransen, dan noemt men het »boven-
standig"; lager dan het vrije gedeelte daarvan, »onderstan-
dig" en indien het slechts gedeeltelijk lager staat, »half-on-
derstandig" (*).
dwars doorgesneden; de bovenste helft hiervan is, even als het verdere gedeelte der
bloem, overlangs doorgesneden; in de 4 hokken van het vruchtbeginsel ziet men de
zaadknoppen, regelmatig geplaatst; bovenwaarts zet zich het vruchtbeginsel in den
langwerpigen styi voort, aan welks top zich de stempel — « — bevindt. De binnen-
wand van het onderste gedeelte der kelkbuis — b — is naauw vereenigd met den
buitenwand van het vruchtbeginsel; bovenwaarts is de kelkzoom — k — in slippen
verdeeld en ter zelfder hoogte bevindt zich ook de oorsprong van het vrije gedeelte
der bloemkroon — bl — en der meeldraden — m. Deze plant behoort dus blijkbaar
tot de kelkbloemigen (z. b. bl. 204).
384. A. Een der binnenste deelen uit de volle bloem (z. b. bl. 272) eener gewone
kers (Prunus Cérasus): het onderste daarvan heeft een groen bbJdachtig voorkomen
en zet zich bovenwaarts in een versmald deel voort, hetwelk met een eenigzins
verdikt deel eindigt. Dit is blijkbaar een overgangsvorm tusschen een gewoon blad
en eenen stamper. — In eene enkelvoudige bloem derzelfde plantsoort toch vindt men
B. den stamper van onderen uit het vruchtbeginsel — v — bestaande, bovenwaarts
voorzien van eenen stijl — si — en uitloopende in eenen stempel — s —. C. Bü
overlangsche doorsnijding van dien stamper ziet men in de holte van het vruchtbe-
ginsel eenen zaadknop; deze holte zet zich in den vorm van een smal kanaal door
den stijl tot aan den stempel voort.
(*) Een bovenstandig vruchtbeginsel komt dus bü eene zoogenaamde onderstandige
bloem voor; een onderstandig vruchtbeginsel by eene bovenstandige en een half-on-
derstandig vruchtbeginsel by eene rondomstandige bloem (z. b. noot 875).