Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
284
De kleur der stuifmeelcellen, die het veelvuldigst geel,
doch somtijds rood, bruin of paars is en nu en dan ook blaauw
of groen kan zijn, is afhankelijk van kleurstof, in den bui-
tenwand gezeteld of van daaraan klevende gekleurde olie-
droppels; de binnenwand is kleurloos. Aan eene groote hoe-
veelheid stuifmeel, zoo als men die b. v. van palmen, enz.
kan inzamelen, is niet zelden ook een bijzondere reuk eigen.
De gedaante van iedere stuifmeelcel eindelijk is het veelvul-
digst bolrond, doch kan ook ei- of linsvormig, drie- of vier-
hoekig, zelfs min of meer kristalvormig zijn; zij is intusschen
voor bepaalde plantengroepen zeer bestendig en kenschetsend.
383. DoorjesDBien vracht-
begiüsel.
B. Stampers.
Zoo als de meeldraden zich onderscheiden,
doordien zij stuifmeel bevatten, zoo is het
karakteristieke der stampers daarin ge-
legen, dat zij zaad kn oppen (*) bevatten.
Om deze in de stampers, — zijnde in den re-
gel de binnen den meeldraadkrans staande
bloemdeelen, — te vinden, moet gij al wat
tot de bloem behoort, loodregt tot aan
den top van den bloemsteel doorklieven
en dan zult gij ze gewoonlijk als een of
meer kleine korrels in eene holte gelegen,
aantrelfen. Die holte wordt gevormd door
het onderste gedeelte van den stamper,
vruchtbeginsel (t) genoemd, omdat dit
het begin of de aanleg van het vruchtbe-
kleedsel is. De in het vruchtbeginsel be-
slotene zaadknoppen zijn de zaden, in
hunnen jongsten toestand.
De naaktzadigen (§) bezitten geenen stam-
vochtigd. C. Van de dag-lelie (HémerocdlUs). D. Dezelfde, bevochtigd. E. Van eene
lijdensbloem (Pass\flóra), ter zijde. F. Dezelfde, van boven gezien. G. Van eene
schorseneer {Scorzonéra). H. Van het muskusbloempje {Mimulus moschdtus). I. Van
eenen den {Pinus sylvéstris).
(*) Vroeger eitjes genaamd.
(+) Vroeger eijerstok geheeten.
(i) Z. b. bl. 108. — Zoo ook het geslacht Bdlanophóra.
383. Bloem van de scharlakenroode Fuchsia (Fuchsia coccirtea); vruchtbeginsel, — v —