Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
283
(Iets dergelijks kan vermoedelijk ook voor de sporen van
de blad- en levermossen en van alle hoogere spore-planten
gelden.) De binnenste wand, welke even als de buitenwand
zeer verschillende graden van dikte bezitten kan, bestaat
altijd uit celstof (z. b. bl. 36 en 60) en is meestal ter plaatse,
waar zich de stippelkanalen of openingen in den buitenwand
bevinden, eenigzins dikker en gezwollen; bij uitdrooging
trekken zich die verdikte plekjes somtijds in plooijen te za-
men. Door de dunnere plaatsen of wel door de openingen
of spleten van den buitenwand, wier getal en rangschikking
altijd regelmatig en bestendig is, puilt nu of reeds van zelf,
of na bevochtiging de binnenwand uit,
die, onder daarvoor gunstige omstandig-
heden, welke wij nader zullen leeren ken-
nen, tot eene meer of minder lange buis
— stuifmeelbuis — uitgroeijen kan.
Dit geschiedt althans bij de bedektzadi-
gen (z. b. bl. 108); bij de tot de naakt-
zadigen behoorende coniféren en cycadéën,
ontstaan eerst in de stuifmeeleel meerdere
jonge cellen, waarvan zich ëéne (de groot-
ste of de vrije eindcel) tot stuifmeelbuis 381. Inhoad der staifmeelcellen.
verlengt, waarbij de buitenwand als een
tweekleppig liulsel openspringt en afvalt. — Wijders bestaat
de inhoud der stuif-
meelcellen uit eene
slijmige vloeistof,
waarin proteïne-stof-
fen, zetmeel-, inuline-
korrels en andere stof-
fen opgelost, of zwe-
vende, ook oliedrop-
382. Uitwendig Toorlomen van stuifineelcellen. pels, enz. voorkomen.
381. A. Stuifmeeleel van den dwerg-amandel (Amygdalus nam), met water bevoch-
tigd; ter plaatse der 3 openingen van den buitenwand dringt de binnenwand heen,
die, op ééne plaats gebersten, den slijmig-korreligen inhoud laat ontsnappen. B. Stuif-
meeleel van de St. Teunisbloem {(Jenothéra hiénnis), C. Dezelfde, den binnenwand
in verlengden vorm, d. 1. als stuifmeelbuis doorlatende. Door stuifmeel-cellen met
eene zeer sterke suiker-oplossing te bevochtigen, kan men soms onder het mikro-
skoop dien buisvormigen groei van den binnenwand waarnemen.
382. A. Stuifmeeleel uit de bloem eener komkommer (CScumis). B. Dezelfde, be-
v^.^;;:/ Vï- ^ar
mit