Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•278
314. BijmeBWen.
niet tot de meeldraden rekenen kan, omdat zij den inhoud,
waardoor deze zich kenmerken, d. i. het stuifmeel, niet be-
vatten. De algemeene benaming voor zulke deelen is: bij-
meeldraden, doch de verscheidenheid in den vorm, waar-
mede zij optreden, vereischt telkens voor elk bijzonder geval,
waarin men ze aantreft, eene nadere omschrijving.
Wij zeiden zoo even »meeldraad-krans", omdat daar, waar
een betrekkelijk gering aantal meeldraden voorkomt, deze
gewoonlijk in éénen kring of krans zijn geplaatst; waar er
vele zijn, staan zij in meerdere op elkander volgende spira-
len, waarvan de bijzondere leden (z. b. bl. 177) dan onder-
ling eenen afwisselenden stand hebben. Daar, waar evenveel
meeldraden als volledige of gedeeltelijke scheidingen van
bloemkroonen of bloemdekken worden aangetroiFen, is de
stand van eiken meeldraad gewoonlijk afwisselend met die van
de beide aangrenzende en daaromheen staande bladen of slip-
pen dier omhullende deelen.
Het getal der meeldraden kan in ééne bloem van 1 tot
374. Ä. Bloem van den sraeerwortel {Symphytum officinäle), waarvan in B. de ge-
opende bloemkroon, aan welker binnenzijde zich 5 meeldraden bevinden, afgewisseld
door daartusschen staande deeltjes, wier gedaante eenigzins naar de vorige zweemt,
doch die, omdat zy geen stuifmeel vormen, „bijmeeldraden" worden genoemd; an-
deren beschouwen ze meer bepaaldelijk als aanhangsels van de bloemkroon en noemen
ze daarom bijkroon. C. Van eene lauriersoort {Laurus Pérsea)\ aan den voet
van de (met 4 kleppen openspringende) meeldraden komen op kleine meeldraden ge-
lijkende deelen voor, doch zonder stuifmeelvorming, D. Gedeeltelijk uiteengepelde
bloem van de gewone akelei {Aquüêgia vulgaris). Aan de eene zijde bevinden zich
van onderen nog één der kelkbladen en 4 meeldraden; aan de andere zijde ziet men
nog een der gespoorde bloembladen (z. b. flg. 358 en 867); hierop volgen 2 meel-
draden en vervolgens, vtftfr dat men de 5 stampers aantreft, een verbreed, eenigzins
lintvormig deel, waarvan er in de nog gave bloem een geheele krans voorkomt;
wegens zijne plaatsing rekent men dien krans onder de bij meeldraden.