Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
277
313. Openspringende helmknoppen.
opperhuidslaag, niet zelden met haartjes en andere aan-
hangsels voorzien, eene laag spiraal- of ringeellen (z. b. bl.
58) en eene gewone parenehymlaag, welke de tusschenschot-
ten der hokken vormt, terwijl de inhoud, zoo als meermalen
gezegd is, uit stuifmeel bestaat. AVanneer dit rijp is, verdroogt
de wand van den helmknop van lieverlede en nu hangt het
van de plaatsing der celgroepen in dien wand, met name
der spiraalcellen, af, op welke wijze die wand gescheiden
wordt, met andere woorden, hoe
de helmknoppen openbersten, zoo-
dat het stuifmeel daaruit vrij ont-
snappen kan. Dit geschiedt nu door
binnen- of buitenwaarts of zijde-
lings gerigte, overlangsche, of wel
door dwarse spleten, soms ook door openingen aan den top,
of door kleppen.
Ook onder eenvoudiger vorm dan den hier geschetsten
kunnen meeldraden optreden, b. v. zóó, dat zich slechts aan
ééne zijde van het helmbindsel twee hokken ontwikkelen (zoo
als bij de scitaminéën). Bij de meeste orchidéën vindt men
slechts éénen, door het helmbindsel in 2 helften gescheidenen
helmknop, welke met den top des stampers naauw vereenigd
is (z. bl. 282). Bij de cycadéën en vele coniféren bevinden
zich eenige of vele kleine, stuifmeel bevattende hokjes of
zakjes op de ondervlakte van schubvormige deelen bevestigd,
omtrent wier waren aard niet alle plantkundigen dezelfde
meening deelen (z. b. bl. 238). De bouw en stand der helm-
knoppen van deze tot de naaktzadigen behoorende groepen
hebben wel eenige overeenkomst met die der sporen bevattende
deelen bij de paardestaartigen en wolfsklaauwigen.
Somwijlen vindt men tusschen den meeldraad-krans en de
stampers, of wel tus.schen de meeldraden, met deze afwisse-
lende, nog eigenaardige deelen, met eene ring-, schub-, blad-
of meeldraadvormige gedaante, enz. welke men echter daarom
373. A. Met eene binnenwaartsche overlangsche spleet openspringende, zoo als bij
de Liliaceën, enz. B. Met eene dwarse spleet, zoo als bij de leeuwenklaauw {Al-
cktmUla). C. Met openingen aan den top, zoo als bij nachtschade (Solarium), bilzen-
kruid (Hyoscyamus), boschbessen (facdnium), enz. D. Met 2 kleppen, b. v. bü £ér-
beris. — Bij sommige Laurinéën geschiedt dit met 4 kleppen.