Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
m bare omhulsels ootdaao.
273
Houdt men zich nu vast aan de bepaling, dat een planten-
deel zijn karakter van bloem aan de aanwezigheid van meel-
draden en stampers ontleent, dan mag de geheel volle bloem
in den strikten zin des woords geene bloem meer heeten.
De gebruikelijke benaming van o n z ij d i g e
bloemen voor bloemomhulsels, zonder
voortplantingsdeelen, voorkomt echter ten
deze alle verwarring. Niet alle onzijdige
bloemen zijn intusschen tevens volle bloe-
men; er komen namelijk ook bij sommige
planten een of twee kransen van bloem-
omhulsels voor, zonder voortplantings-
deelen.
Ligt te begrijpen is het^ waarom men
bloemen, welke slechts
ëëne der beide soorten
van voortplantingsdeelen
bevatten, » eenslachtige"
noemt, ter onderscheiding
van de »tweeslachtige"
(z. b. bl. 239). De bloem-
omhulsels van dezelfde
plantsoort zijn alsdan ge-
meenlijk verschillend,naar
gelang zij meeldraden of
stampers omringen. Daar
nu de eenslachtige bloe-
men niet altijd op ver-
scheidene individu's voor-
komen, maar dikwerf op
hetzelfde, en in het laat-
369. Eenslachtige bloemen.
368. A. Zes meeldraden en in H midden hiervan één stamper eener lelie (LUium).
B. Drie meeldraden en 1 vruchtbeginsel, waarop 2 penseelvormige stempels, van de
haver (Avéna saiiva); — dus het binnenste gedeelte uit de op bl. 260 afgebeelde
bloem. — De helmknoppen zyn In de belde groepen der Liliacéën en (iraminéën,
waartoe respectievelijk de lelie en de haver behooren, zóó los met de meeldraden
verbonden, dat zij bü de ligtste aanraking eene trillende beweging vertoonen. In
andere groepen is meerendeels de verbinding tusschen beide deelen zoo vast, dat de
helmknoppen op zich zelf onbewegelijk «yn.
369. Mannelyke bloem van den meloen (Cücumis Mélo)y zoo als zy meestal in groot aan-
tal op de hoogere takken der plant optreden j het bloembekleedsel is kleiner en smaller
dan by de vrouwelijke bloem. B. Dezelfde, (Iets grooter,) zdd overlangs doorgesneden,
18