Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
270
vooral dän steun, wanneer de gedaante dier bloem-
deelen min of meer zweemde naar die, welke men
zicli als de type van den bladvorm voorstelde: —
eene bladschijf met bladsteel; — en vrij algemeen
gold en geldt nog de opvatting, dat b. v. de bloem-
bladen of de meeldraden loofbladen zijn, welke
'•eenen anderen vorm dan den gewonen verkregen
hebben. Maar nu leert het onderzoek van de ontwikkelings-
wijze, dat in deze deelen reeds bij hunnen jeugdigen aanleg
de gedaante, die zij later bezitten, waarneembaar is, zoodat
dus hier van geene vervorming, d. i. vorm-verandering in
den strengen zin des woords, sprake kan zijn. Zij groeiden
b. V. wèl op de wijze van die deelen, waaraan, omdat hun
top het oudst is, enz. in 't algemeen de naam van »bladen"
toekomt (z. b. bl. 161); en als zoodanig heeft men dan ook
het regt, de bloembladen, meeldraden, enz. tot de blad-vor-
mingen (in tegenstelling van as-vormingen) te rekenen. Er
bestaat echter geen enkele reden ten bewijze, dat de volko-
mene type van bladvorming in de gedaante van een gesteeld
loofblad moet optreden, zoodat alle andere bladvormingen
niets dan wijzigingen dier type zouden zijn. Het schijnt mij
juister toe, dat men overal, waar men geene regtstreeksche
verandering van eenen vorm in eenen anderen bij hetzelfde
plantendeel, tijdens zijne ontwikkeling, kan waarnemen, ook
elk denkbeeld van eene »vervorming" moet laten varen, zoo-
dat men b. v. in het geval, waarover wij thans spreken, niet
verder gaan mag dan de stelling: bladen kunnen onder al-
lerlei gedaanten optreden, waaraan men, naar gelang van die
gedaanten, van hunne plaatsing, enz. den naam van loofbladen,
bloembladen, meeldraden, enz. toekent. Zoo dus bij eene en de-
zelfde plant overgangen voorkomen in de gedaante, enz. waaron-
der de bladen daaraan optreden, — herinner u slechts b. v. wat
er (bl. 243) van de schutbladen gezegd is, — dan volgt nog niet
daaruit, dat men een schutblad als een gewijzigd of mislukt loof-
of bloemblad beschouwen mag. Meerdere of mindere gelijkenis
384. Uit de bloemkroon der muurbloem (Cheirdnthus Cheiri)-, terwyl wij by deze
en alle oyerige tot de groep der Cruciféren behoorende planten benedenwaarts steel-
vormig versmalde bloembladen aantreffen, even als in de groep der „Caryophylleën"
enz. zijn de bloembladen van de meeste andere planten niet aldus versmald, maar
eenvoudig plaatvormig uitgebreid.