Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
268
ring aanleiding, en daarom is het beter, om, wanneer aan
de binnenzijde van een bloemomhulsel een of meer kransen
van aanhangsels optreden, welke blijkbaar niet tot den op-
volgenden krans van meeldraden behooren, die naar hunnen
waren aard duidelijk te omschrijven, dan daarvoor een enkel
woord van te onbepaalde beteekenis te bezigen.
Vooral komt het er hierbij op aan, om de wijze van ont-
wikkeling van zoodanige aanhangsels, enz. na te gaan. Dit
blijkt b. V. uit de tegenwoordige beschouwing van het zaad-
pluis, hetwelk vroeger als een bijzondere vorm van kelk
beschreven werd, doch thans voor een bijkomend deel ge-
houden wordt. Men verstaat
namelijk hieronder eenen vooral
in de groep der zamengestelden
voorkomenden krans van fijne
haartjes, rondom den voet van
de bloemkroon staande. Is de-
ze laatste afgevallen, dan ver-
heft zich dikwerf deze haar-
krans op een later uitgegroeid
steeltje op den top van het
vruchtje. Het is echter geble-
ken, dat de eerste aanleg daar-
van optreedt, nadat reeds de
bloemkroon en meeldraden zijn
ontstaan, en ware het zaadpluis
nu inderdaad een haarvormige kelk, zoo als men vroeger
meende, dan moest het ook als eerste bladkrans der bloem-
deelen gevormd worden.
Eene andere afwijking eindelijk, waarbij namelijk het getal
van de bladkransen der bloemomhulsels zich niet tot 1 of 2
bepaalt, maar veel grooter kan zijn, brengen wij zoo aan-
stonds (bl. 271) ter sprake.
363. Zaadpluis.
863. A. Bloembodem met teruggeslagen omwindsel (z. b. bl. 244) van de gewone
paardebloem {Tardxacum ofjkindle). B. 4 lintbloempjes, vroeger daarop bevestigd, in
verschillende tijdperken hunner ontwikkeling. C. a. Natuurlijke grootte van een
vruchtje, met het uitgegroeide zaadpluis op den verlengden steel; h. hetzelfde, 8-
malen vergrootj c. één der haartjes van het zaadpluis, 15 malen vergroot.