Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
264
gen of wel min of meer ron-
den bloembodem. .S.)De bloem-
bodem bezit eene uitgeholde
gedaante; zijn buitenwand
hangt zamen met de binnen-
zijde van het onderste gedeelte
van den kelk; ter plaatse waar
de bloemkroon en meeldraden
zich vrij vertoonen, schijnen
zij op den kelk te ontspringen,
hoewel zij eigenlijk veel lager,
namelijk aan de binnenzijde
van het onderste gedeelte van
,, ,.., , , , ,, , , den kelk, tegelijk hiermede ae-
364. Betrekkelijke stand der Moemdeelen. ^^^^^ zijn. Eindelijk (7.) kan
de kelk als één ongescheiden krans gegroeid zijn en alsdan in
vereeniging met den vlakken bloembodem, waarop zich ook
een ongescheiden bloemkroon-krans bevindt, aan welks bin-
nenzijde zich de tegelijk hiermede ontwikkelde en dus groo-
tendeels hiermede zamenhangende meeldraden vertoonen. —
Deze bijzonderheden in den bouw der bloemen gaven zelfs
aanleiding, dat men de planten, waarbij zij voorkomen, daar-
naar in bijzondere groepen indeelde.
In weerwil, dat gij u met het tot hiertoe van de bloem-
omhulsels gezegde geheel vertrouwd zult hebben gemaakt,
zal er toch nog menigmaal, wanneer gij zelf aan het plukken
en ontleden gaat, bezwaar voor u oprijzen, wanneer gij met
zekerheid den aard der deelen, die gij voor u hebt, bepalen
wilt. Het zou de grenzen van dit werkje ver overschrijden,
wanneer ik u voor al die bijzondere gevallen den weg wilde
wijzen; slechts enkele daartoe aanleiding gevende oorzaken
kan ik hier vermelden.
Zoo zoudt gij b. V. eene gemeene klaproos (*) in ontloken
354. OYerlangsohe doorsneden van A. de bloem van een ranonkel (Banincultts)
planten met zoodanige bloemen noemt men bodembloemigen; B. de bloem van
een appel (Pyrus Malus)-, planten met zulke bloemen heeten kelkbloemigen;
C. de bloem van een sleutelbloem {Primula)-, gewassen met zoodanige bloemen hee-
ten kroonbloemigen. — k: kelk; b: bloemkroon; m: meeldraden; s: stampers.
(*) Papaver Rhoeas, — behoorende tot de groep der Papaveracêën, die alle zulk
eenen vroeg afvallenden kelk bezitten.