Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
259
geven ons slechts een flaauw denkbeeld van de schitte-
rende kleurenpracht en van den rijkdom aan geuren, welke
aan een aantal planten in heetere gewesten eigen zijn. Geen
wonder dan ook, dat men er zich hier op toelegt, om in
kunstmatig verwarmde kassen zoodanige planten te kweeken,
die vooral dan te meer gezocht zijn, wanneer zich daaraan
ook minder gewone vormen der bloemen paren. In dit opzigt
verdient met name de groep der orchidéen vermelding, wier
bloemen de meest grillige gedaanten vertoonen.
Bij de omhulsels dier bloemen zult gij, gelijk u dat meer-
malen zal voorkomen, b. v. bij tulpen, leliën, narcissen, enz. —
voornamelijk bij bloemen uit de groote afdeeling der eenzaad-
lobbigen (z. bl. 110 en 114) —
reeds den buitensten bladkrans an-
ders dan groen gekleurd aantref
feu. Zoodanig bloemomhulsel, be-
staande uit zulk eenen enkelen
bladkrans of uit meerdere gelijk
gekleurde bladkransen, wordt door
de plantkundigen een bloemdek
genoemd. Onderscheidt zich echter
de buitenste bladkrans van de meer
binnenwaarts gelegene, die met den
eersten te zamen het omhulsel vormen, door eene geheel an-
dere, d. i. in de meeste gevallen door eene groene kleur, dan
noemt men het geheele omhulsel een bloembekleedsel en
den buitensten (groenen) krans hiervan den kelk, de overige
anders gekleurde krans of kransen de bloemkroon (*).
Het gebruik van het woord «bladkransen" voor de za-
menstellende deelen der bloemomhulsels is daardoor gewettigd,
dat èn de wijze van ontwikkeling, èn de ontleedkundige bouw,
èn de plaatsing der bloemomhulsels deze als bladvormingen
doen kennen, die kring- of kransvormig bijeenstaan, door-
dien zij in zeer kort ineengetrokkene spiralen rondom de ge-
348. A. Van de gemeene pijpbloem (Aristolóchia Clematitis), uit één ongescheiden
krans bestaande, die van onderen buisvormig is en naar voren in een verbreed ge-
deelte uitloopt. B. Overlangs doorgesneden.
(*) Slechts in enkele gevallen vindt men kelken, die niet groen, maar anders ge-
kleurd zijn; bü Fuchsia b. v. zyn zü rood, wit, enz. — Zoo komen soms ook bloem-
dekken, b. v. bij netelplanten, enz. met eene groene kleur voor.
18*