Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
257
eene bloem plukken, alleen ter wille van de fraaije kleur, waar-
mede zij hem vriendelijk tegenstraalt, of van den aangenamen
geur, waarmede zij de dampkringslucht doortrekt. Maar zijn
schoonheidsgevoel moge hierdoor gestreeld worden, — het vindt
er echter geene voldoening in, en wèl, omdat de kennis, welke
hij verwerven mögt, het hem onmogelijk maakt, zich alleen
bij de bewondering van dat uiterlijke schoon te bepalen. Hij
weet van de plant reeds zoo veel meer belangwekkends, dan
dat hij zich, zoo als de groote menigte, vergenoegen kan met
de genieting van dat, wat ook den onkundigste treft. Het
schoonheidsgevoel gaat door kennis niet verloren, maar ver-
krijgt daardoor hoogere eischen; het wordt er door gelouterd
en beschaafd.
Zoo ergens, dan is het in de keerkringsgewesten, waar het
kleurenspel der gewassen den hoogsten graad van afwisse-
ling bereikt. — Ten onzent prijken de planten in alle jaar-
getijden, ja zelfs in iedere maand, naar gelang der opvolging,
waarin zij achtereen in bloei verkeeren, met andere kleuren,
waarbij dan enkele hoofdtinten het geheel beheerschen. Zoo lang
echter de bloemen nog den knop-toestand doorleven, bezitten
de omhulsels, die alsdan op eigenaardige wijze geplooid zijn
(z. b. bl, 193), nog meestal niet die kleuren, welke zij bij
het openen der knoppen vertoonen; in de jeugdige knoppen
zijn zij in den regel nog groenachtig of althans veel lichter
gekleurd dan later. Reeds boven (bl. 45) is iets over de kleur-
stoffen zelve opgeteekend; wij voegen hier nog slechts daar-
aan toe, dat men de kleuren der bloemen in 2 reeksen pleegt
te verdeelen, in die namelijk, waarin geel de grondkleur is
(waartoe o. a. rood, oranje, geel en geelgroen worden gere-
kend),' en die, waarbij blaauw de grondkleur vormt (waar-
toe O. a. blaauw-groen, blaauw, paars en violet geteld wor-
den). Het gelijktijdig voorkomen van verschillende kleuren in
elkanders nabijheid kan ook wel tot het ontstaan van scha-
keringen bijdragen. Van de witte kleur is u reeds gezegd,
dat zij van de aanwezigheid van lucht afhangt, doch het
verdient opmerking, dat zelfs het blankste bloemomhulsel
zeer zelden zuiver wit en gewoonlijk met dezen of genen
bijtint gemengd is, zoo als blijkt uit het verschil met de
kleur van sneeuw of van zeer wit papier; zoo is ook bet
17