Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•250
(ie lagere of buitenste bloemen derzelfde bloeiwijze vroeger
ontloken, dan de hooger of meer binnenwaarts staande, Neemt
men den top der hoofd-as hierbij als middelpunt aan, dan
zijn de benamingen van middelpu nt-vlied e n de bloeiwij-
zen voor de het eerst geschetste, en van middelpunt-
zoekende voor de het laatst vermelde niet ongepast. Som-
tijds vindt men tweederlei bloeiwijzen op dezelfde plant ver-
eenigd of nog andere ge\\'ijzigde toestanden in dit opzigt,
welke wij echter, wegens hunne mindere algemeenheid, hier
stilzwijgend voorbijgaan.
b
3^1. Katjes.
Van de middelpunt-zoekende bloeiwijzen met onontwikkelde
hoofd-assen kan men 2 hoofdsooi'ten onderscheiden: 1®. het
Iioofdje en 2°. de scherm. Verstaat men namelijk onder
324. Bloeiwijze van ijzerhard {Vtrbéna ofjidnalis); zijnde eene e n k e 1 v o u d i gt
aar.
325. Bloeiwijze der tarwe {TrUicum ziügdre)-, zijnde eene zamengestelde aar
die namelijk uit een aantal kleine aartjes bestaat, welke aarvormig langs ééue
hoofd-as zijn vereenigd. Zulke zamengestelde aren vindt men bij de meeste grassen.
82Ö. a. Een mannelijk katje (z. b. bl. 238 en 239), b. een vrouwelijk katje van de
den {Pinus sylzéstrh)', eene aar, die zeer eenvoudige bloemen en daartusschen staande
schutblaadjes bezit, heet katje; zoo dit uit mannelijke bloempjes bestaat, valt het
meestal als één geheel af; in het voorjaar vindt ge veel van die wormvormige rood-
of geelgekleurde katjes op den grond onder de beuken, eiken, noten, wilgen, popu-
lieren, berken, enz. waarvan zij na den bloeitijd afgevallen zijn.
327. a. Vrouwelijk, b. mannelijk katje van een wilg {Salix)-, c. mannelijk katje van
den hazelaar {Córylns AteHana).