Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•248
Voornamelijk heeft men bij de beschouwing der bioeiwij-
zen daarop te letten, of er slechts ééne algemeene of hoofd-
as is, die tot drager der bloemen dient, dan wel of de hoofd-
as in meerdere takken is gesplitst, waarvan elke tak weder
op dezelfde wijze als de hoofd-
as vertakt is. In het eerste
geval spreekt men van e n-
kelvoudige, in het andere
van zamengestelde bioei-
wijzen. Bij de enkelvoudige
bioeiwijzen kan de hoofd-as
uit wel- of niet-ontwikkelde
BloeiwijzeD, raet de vorige verwant tusschenknoopen bestaan. Elke
bloem vindt men al dan niet met een steeltje daarop bevestigd.
Men vergete echter niet, dat elk bloemsteeltje een takje is
van de as, waarop zich de bloem bevindt. Slechts al'te dik-
Avijls worden door onwetenden bladsteel en bloemsteel als
men bevestigd zijn, vlak (fig. 306), gewelfd (fig. 314—816) of uitgehold is (fig. 307).
Het korfje wordt ook wel eens zamengestelde bloem genoemd, omdat men
hierbij schijnbaar éene bloem voor zich heeft, die echter inderdaad uit vele is za-
mengesteld. De as of drager van al die bloemen — in dit geval bloempjes ge-
naamd, — heet algemeene bloembodem.
312. KorQe van de paardebloem (Tardxacum officinale)-, ieder bloempje heeft eene
lintvormige bloemkroon.
313. Van de gemeene kamille {Matricdria ChamomiUa)-, de buitenste bloempjes be-
zitten lint-, de binnenste buisvormige bloemkroonen. Bij zoodanig verschil in vorm
noemt men de binnenste te zamen de „schijf", de buitenste den „straal"; —
schijf en straal zyn vaak ook in kleur onderscheiden.
314. Hetzelfde, overlangs doorgesneden, o. a. de wijze van bevestiging der bloempjes
op den kegelvormigen algemeenen bloembodem vertoonende.
315. Hetzelfde, zonder lintbloempjes, om te doen zien, dat, hoe digt de bloempjes
ook bij elkander staan, toch nog bij deze plant kleine bladvormige uitbreidingen op
den bloembodem tusschen de bloempjes voorkomen.
316. Overlangs doorgesneden korfje eener goudsbloem {Calendula). De algemeene
bloembodem is hier gewelfd; — in fig. 306 is deze vlak, in fig. 307 uitgehold.
317. Een viertal korfjes van het boeren-wormkruid {Tanacétum vulgare)-, de bloem-
kroonen der hiertoe behoorende bloempjes zijn allen buisvormig.
318. Korf jes eener Dahlia {Dahlia of Georglna varidbilis); a. met verschillende
bloempjes in het midden (schijf) en aan den omtrek (straal); — h. met geheel ge-
lijkvormige bloempjes; dit laatste is het gevolg van kweeking, waardoor ook ver-
schillend^ kleurschakeringen kunnen verkregen worden.
319. Overlangs doorgesnedene, peervormige bloembodem der vijg {hicus Cdrica)-,
daarop, of liever daarbinnen in bevinden zich een aantal kleine bloempjes. Elk pitje,
hetwelk gy in eene rijpe vijg aantreft, is een vruchtje, afkrmstig van een bijzonder
bloempje; het eetbare gedeelte is de vleezig uitgegroeide bloembodem.
320. Vlakke, een weinig uitgeholde bloembodem van Dorsténia, waarin een aantal
bloempjes ingedoken liggen.