Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
246
ka?-.
10. Alleenstaandf
Sil. Digt Mj'enstääDiie bloemen.
(Hoofije.)
is b. V. ieder geel gekleurd plaatje, hetwelk
gij uit eene paardebloem losplukt, of de kleine
stukjes, waarin de dahlia- of de klaverbloem,
enz. uiteenvalt, wanneer gij die lospluist, elk
op zich zelf eene bloem.
Zulke digt bijeenstaande
bloemen, door dezelfde as
gedragen, worden gewoon-
lijk (met de daarbij be-
hoorende schutbladen)
bloeiwijzen genoemd;
terwijl er ook zijn, die
onder dit woord in 't al-
gemeen de plaatsing of
rangschikking der bloemen
op de stengels verstaan.
Iedere plant en iedere na-
tuurlijke plantengroep (d.
i. iedere verzameling van
planten, wer zamenstellende deelen veel gelijkenis met elkan-
der bezitten,) hebben hare eigene bloeiwijzen, en om die
allen van elkander te kunnen onderscheiden, heeft men ze
met bijzondere namen bestempeld; slechts enkele daarvan
zullen wij hier vermelden.
In verband met eene reeds vroeger (bl. 2) gemaakte op-
merking, mag hier wèl worden herinnerd, dat gij de kennis
van deze en andere u tot dusverre nog vreemde woorden
niet verwart met de eigenlijke studie der planten. Die woor-
den zijn slechts de middelen, waardoor men kortheidshalve
de aan planten eigene bijzonderheden beschrijven kan en om
zich daarin voor alle plantkundigen even verstaanbaar uit te
drukken, is men gewoon, bij zoodanige beschrijving, eene
daarvoor vastgestelde Latijnsche term te bezigen. Het hier
volgende korte overzigt van de bloeiwijzen heeft dus een
hooger doel dan namen-kennis; het strekt o. a. om bij u
eenig begrip te vestigen van eene orde en regelmaat ook daar,
waar gij die welligt nimmer vermoed zoudt hebben.
310. Eene voorjaarä-crocus (Crêcus témus).
311. Hoofdje eener klaver (Tri/óliuut).