Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•242

B
tegelijk behooren. Op de wijze van ontwikkeling dier deelen,
op hunnen ontleedkundigen bouw en op de leeringen, geput
uit enkele zoogenoemde afwijkende vormen, berust deze alle-
zins gegronde beschouwingswijze.
Zoo als gezegd is, doet de bloembodem zich gewoonlijk als
een uiterst kort stukje eener as, als een ter naauwernood
verdikt topje daarvan voor; alsdan is cr bezwaarlijk eenig
verschil in de plaats van oorsprong der elkander als kransen
omringende bloemdeelen te bespeuren. Merkbaarder wordt dit,
wanneer er eeni-
ge meerdere uit-
groeijing van de
tusschenknoopen
van dit as-topje
heeft plaats ge-
had, zcodat dit b.
V. eene kussen-
of kegelvormige, eene halfronde, uitgeholde of andere gedaante
bezit. Deze uitgroeijing bepaalt zich soms tot eene gedeelte-
lijke verlenging tusschen den eenen en anderen
krans van bloemdeelen, die daardoor dus in hunne
bevestigingspunten iets meer van elkan-
der verwijderd raken. Somtijds bestaat
deze uitgroeijing in eene schijf- of ring-
vormige uitbreiding, die op verschillende
plaatsen in of onder de bloem kan voor-
komen, vaak eene gele of groene kleur
bezit en dikwijls een suikerhoudend sap
uitscheidt,
Vroeser meende men de bloemdeelen,
welke een zoet sap (honig) uitscheiden
30L BloembodeiDs.
i ïeri;Qging der öloernkdeins.
301. Overlangsche doorsneden. A. van de bloem eener iSp/ra/a, waarvan 3 der 5 kelk»,
en 3 der 5 bloembladen, al-mede eenige meeldraden en stampers zijn afgeplukt. Als al-
gemeene drager van al die deelen, regtstreeks of middellijk, vertoont zich een korte,
eenigzins kussenvormige bloembodem;— B. van de bloem der abrikoos
nfaca), waarvan ook eenige blaadjes van het omhulsel cn eenige meeldraden zijn
afgeplukt, waardoor de bloembodem, die in 't midden den stamper draagt, zich als
een hol, bekervormig ligchaam voordoet.
302. A. Stamper van het esschenkruid (Dictdmnus FraxinéÜa), welke op eenen in
de lengte uitgegroeiden tusschenknoop van den bloembodem bevestigd is. B. Bloem
van Claónie pühnipes waarin (even als by andere Capparidêën) de meeldraden en de