Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•240
zeer eenvoudigen bouw der bloemen, b. v. bij vele katjesdra-
genden, bij de cjpergrassen, de lisclidodden, vele aronskelken,
ook bij enkele essclien, enz.
Het kan inderdaad aanvankelijk vrij moeijelijk vallen, eenige
overeenkomst te ontdekken tusschen zulke hoogst eenvoudige
bloemen cn zoo vele andere, die door uitgebreidheid of tal-
rijkheid van zamenstellende deelen terstond in 't oog loopen
cn zelfs door den minst kundige als »bloemen" worden her-
kend, terwijl hij de eerste óf niet eens opmerkt, óf alleen
dan eenige aandacht schenkt, wanneer zij, in vereeniging
met vele andere dergelijke, ëën geheel van eenigen omvang
vormen (*). Veel van dat bezwaar vervalt echter, wanneer
men zich gewend heeft, vele en onderscheidene bloemen voor-
zigtig te ontleden. Hiertoe wordt weinig meer vereischt dan
dat men bij het afplukken en ontbladeren van bloemen, het-
geen men welligt vroeger zoo dikwijls geheel gedachteloos
en met ietwat ruwe hand pleegde te doen, eenigzins regel-
matiger en met wat meer zorg te werk gaat. Zoo b. v. plukke
men achtereen van buiten naar binnen de elkander opvol-
gende deelen geheel af, steeds goed toeziende, wat men ver-
wijdert en wat men overhoudt; snijde ook de bloem loodregt
of dwars midden door en beschouwe de kleinere deelen, die
voor het bloote oog minder duidelijk zijn, met een eenvoudig
vergrootglas, hetwelk men daarvoor steeds bij zich kan dra-
gen. Dan zal het van lieverlede duidelijk worden, dat cr in
den bouw van alle bloemen, om zoo te zeggen, e'én jdan of
één grondslag bestaat, zóó dat het schijnbare verschil, het-
welk bij den eersten oogopslag zoo aanmerkelijk voorkwam,
zich nu in eenige wijzigingen van dat algemeene bouwplan
oplost.
(*) Zoo zyn er, die zich verbeelden, dat sommige gewassen nooit bloemen dragen
of „bloeijen", gelijk men het noemt. Dit moge nu waar zijn voor vele kruidachtige
planten in haar eerste jaar of wel voor heesters en boomen in hunne eerste jaren; —
in hun tweede jaar zullen echter die kruiden en in latere jaren die houtvormende ge-
WEisen ongetwijfeld bloemen voortbrengen. Men moet die echter met name bij de
laatsten niet altijd willen zoeken, wanneer de bladeren reeds weder verschenen zijn,
daar toch vaak in 't voorjaar, zelfa nog in de wintermaanden, de bloeitijd, d. i. dc
tijd, waarin de bloemen ontluiken (zich uit haren knop-toestand ontplooijen,) invalt,
soms lang vddr dat zie!» de bladeren vertoonen. [Het woord „bloesem" is in onze
taal in de wetenschap niet in gebruik; — de leek bezigt het gewoonlyk voor de
som van een aantal cp dezelfde plant voorkomende bloemen of bloemknoppen.]