Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•238
ling somwijlen onmogelijk worden. Zoo ?ils reeds vroeger (blz.
104) is aangestipt, is het de aanwezigheid van meeldraden
en stampers, en niet die van de aan den gewonen beschou-
wer het meest in 't oog vallende omhulsels, waardoor aan een
plantendeel het karakter van „bloem'* verleend wordt; zelfs
wordt daarvoor niet eens altijd de aanwezigheid van beiderlei
deelen in elkanders onmiddellijke nabijheid gevorderd. Omdat
er eene zamenwerking — bevruchting-— vereischt wordt
van tot de meeldraden en stampers behoorende deelen, ten einde
er later aan de daarmede voorziene gewassen zaden kunnen
ontstaan, en omdat de zaden
den aanleg voor jonge plan-
ten (kiemen) in zich bevat-
ten, die, onder gunstige om-
I standigliedcn, op hare beurt
grooter worden en er dan
even zoo uitzien als de plan-
ten, waarvan zij afstamden
(z. b. bl. 104), heeft men ook
de meeldraden en stampers,
als bijdragende tot de moge-
lijkheid, dat eene plant zich
kan vermenigvuldigen of
♦ voortplanten,*' de voort-
plantingsdeelen ge-
noemd. Deze benaming geeft
minder tot onjuiste beschou-
wingswijzen aanleiding dan
die van »geslachtsdeelen" (z.
b. bl. 103), hoewel zij vrij
algemeen in gebruik is, zoo-
291. BloeißQ van naaktzadigen.
dat men dan ook
gewoon
is, de meeldraden als de mannelijke en de stampers als de
met hare omhulsels in zijn geheel te overzien. Men denke hierbij alle deelen daar-
van ingekort tot in één plat vlak, dan zal eene dwars daar doorheen gerigte snede
van buiten naar binnen eerst moeten gaan door 4 groene, en dan door 4 geel- of
roodachtig gekleurde blaadjes (de omhulsels); de doorsnijvlakten daarvan vertoonen
zich eenigzins halvemaanvormig: alsdan volgen die der 6 meeldraden en eindelijk
ligt in 't midden het dwars doorgesnedene onderste gedeelte van den stamper, in 2
hokjes verdeeld, in elk waarvan hier 1 zaadje, in zyn jongsten toestand, zigtbaar is.
297. a. Eene verzameling van mannelijke bloemen eener tot de cycadéen be-