Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•284
beiderlei vruchtsoorteu voorkomen (*), zijn de sporen-bevat-
tende meestal grooter dan de antheridiën-bevattende; zij staan
of digt bijeen, of op een afstand onder elkander, of geheel
onregelmatig. De vorm der vruchten is rondachtig of nier-
vormig, en nadat zij (al of niet regelmatig) zijn opengespron-
gen, komen er uit de vruchten der eene soort een groot
aantal antheridiën te voorschijn, uit elke der andere soort
echter gewoonlijk slechts vier sporen. In de antheridiën van
eenige wolfsklaauwigen heeft men, eenigen tijd na hunne
vrijwording, dochtercelletjes gevonden, welke bewegelijke spi-
raaldraadjes inhieldeuj die men ook vrij heeft zien rondzwer-
men. Mea neemt aan, dat het
indringen dier zwermdraadjes,
welke op die der varens ge-
lijken, in de archegoniën noo-
dig is, opdat hieruit eene nieuwe
plant kunne ontstaan. Voor
zoo ver men de vorming dier
archegoniën heeft kunnen waar-
nemen, is het gebleken, dat in
de sporen, wier celwand met
meerdere lagen bekleed is, vóór
of na hare ontsna])ping uit de
vruchten, door vrije cel-vorming
(z. b. bl. 62) eene voorkiem
ontstaat, waarmede de spore
2?3.VQQrtplaatiDjs(leeleii vaa wolfsklaauwigen.
deelen, zoo als wij ze hierboven schetsen (— en hetzelfde geldt ook van de sporen
en antheridiën der watervarens, z. b. de noot op bl. 232 —), zijn het niet alle plant-
kundigen eens; velen toch meenen, dat die deelen, welke wij antheridiën noemen,
kleine, niet tot ontwikkeling geraakte sporen zijn. Zoo zoti o. a. het poeder, be-
kend onder den naam van „heksenmeel, stuif-, smet- of bliksempoeder", hetgeen af-
komstig is uit de vruchten van de gewone wolfsklaauw {Lycopódium claratum), uit
antheridiën, of, indien men ze zoo noemen wil, uit kleine sporen bestaan. Eigen-
lijke of groote sporen heeft men nog niet bij deze en andere Xycü^JÓdiJ/m-soorten,
evenmin als bij de ook tot de wolfsklaauwigen behoorende Psilulum en Tmestpleris,
kunnen ontdekken. Op ééne enkele, trouwens nog niet veel beslissende waarneming
na, heeft men de kieming dier planten nog nimmer kunnen gadeslaan. Hare ver-
meerdering schijnt derhalve alleen beperkt tot de uitbreiding, door middel van sten-
gel- (of wortelstok-)vertakkingen.
(•) Zoo als bij de Selaginélla-soovXen (z. b. bl. 184) en bij de Isoéles-soorXen.
298. A. Een der blaadjes uit de aar (zoo heet hier de vereeniging dor vruchten,
aan het uiteinde der takken) van Lycopódium davdlum, met de aan de binnenzijde
daarvan bevestigde niervormige vrucht. De daaronder afgebeelde, vierhoekige korrel-