Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
227
h 4 weken, wanneer zij eenen daarvoor ge-
schikten bodem ontmoeten. Daarbij dringt
door eene scheur van haar buitenste om-
hulsel de binnenste of eigenlijke wand der
spore-cel als een uitpuilend verlengsel heen.
Dit verlengt zich spoedig, doordien daarin
nieuwe en op hare beurt
groeijende cellen ont-
staan, en daar voorname-
lijk aan het uiteinde die
celvorming het levendigst
en zoodanig plaats heeft,
dat aldaar een inham of
splitsing in twee zijdelingsche deelen ge-
vormd wordt, vindt men ten laatste de
spore tot een hartvormig,
bereids groen gekleurd en
van eenige haarworteltjes
Vareo-sporeo.
voorzien ligchaam — de
Voorkiemea m varens.
voorkiem — ontwikkeld.
Aan de ondervlakte en
aan den rand dezer voorkiem ontstaan de antheridiën; eerst
later volgen de archegoniën; de eersten doen zich als bol-
vormige groepjes dobbelsteenvormige cellen voor, in elke
waarvan zich een blaasje bevindt, hetwelk, behalve grootere
en kleinere korreltjes, eenen spiraalvormig opgerolden platten
draad omsluit. De topcel van het antheridium scheurt ten
laatste, vooral bij bevochtiging, in en laat die blaasjes
ontsnappen, nadat de moedercelwanden verdwenen zijn; de
blaasjes draaijen nu in het hen omringende vocht rond, ber-
sten eensklaps van een en de nu vrij wordende spiraaldraad
282. a. Van den gulden varen (Polypódimi aureum); b. van den breekbaren bosch-
varen {Cy stópt erix /rdgilis)', c. van den langbladlgen rand varen (Piéris longifólia)\
d. van Aneitnia atpleni/ólia.
288. Kiemende sporen, in verschillende tijdperken, van de gewone boomvaren (Po-
lypódium vulgdre). Aanvankelyk heeft er slechts eene dwarse celdeeling plaats (b)
van den uitpuilenden binnenwand (o) der spore-cel; later volgt ook eene overlang-
sche (e), die ten slotte weder door beiderlei deelingsvormen (d) gevolgd wordt.
284. A. Van de mannetjes-varen {Polysikhum luHx Mas), in onbevruchten staat;
B. van de gezaagde randvaren {Ptcris scrruldta), kort na de bevnichting; C. lang na
de bevrnchting.
15*