Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
1
K:eiiieQle bofmos-sporen.
2-25
naast elkander liggen en zich als eencellige, bolronde, met
een buitenlaagje bekleede sporen voordoen, meestal met eene
gele of bruine, zeldzamer groene kleur. Wanneer deze kiemen,
vormt zich daaruit eerst een gelede en vertakte draad —
voorkiem; — uit de eindcel van een der takje^
van dien draad vormt zich nu een celgroepje,
waaruit het nieuwe plantje voortspruit.
Bovendien komen deels op de bladen,
deels op andere plaatsen (z. b. bl. 202),
soms ook bij hoopjes aan het uiteinde van
een stengeltje, enz. veelcellige ligchaam-
pjes in knopvorm voor, geschikt, om na de
vorming van eene soortgelijke voorkiem, als de zoo even ver-
melde, tot een nieuw zelfstandig loofmos uit te groeijen; niet
zelden bezit één enkel of zelfs een gedeelte van een loofmoa-
blaadje, in daarvoor gunstige omstandigheden verplaatst, het-
zelfde vermogen.
De in haar voorkomen zoo zeer op bladen gelijkende zij-
assen der varens (*) onderscheiden zich niet alleen van ware
bladeren, doordien zij, gelijk dit met alle assen het geval is,
aan haren voet het eerst en aan haren top het laatst ont-
wikkeld, maar ook doordien zij de dragers der sporen zijn.
Meestal toch vindt men dezen op de ondervlakte dier blad-
vormige assen, en wel op hare zijdelingsche uitbreidingen,
langs hare randen, langs den door het midden loopenden
vaatbundel, enz., somtijds ook op eenen geheel of gedeeltelijk
afzonderlijk staanden steel (hoofdvaatbundel, zonder zijdeling-
sche uitbreidingen). Dit verschil in plaatsing staat in niiauw
verband met de bij de verschillende varen-groepen zeer on-
derscheidene vaatbundel-vertakking. Dc sporen liggen echter
niet open, maar in bepaalde omhulsels besloten, die gewoon-
lijk linsvormig, met eenen kleurloozen steel cn meestal voor
een gedeelte met een sierlijk geleden ring voorzien zijn. De
sporen met hunne omhulsels — vruchten — staan echter
meerendeels niet op zich zelf, maar bij hoopjes in elkanders
280. Eene der sporen is nog onveranderd; eene andere vertoont reeds het door-
dringen van den sporewand door het omringende laagje; de derde is reeds tot eene
voorkiem uitgegroeid.
(*) Ook loof of pluimen genaamd, z. b. bl. 131 en 143.
15