Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•223
wuchten. AVaar meer archegonien bijeenstaan, plegen ge-
woonlijk slechts één of weinige bevrucht te worden; de ove-
rige gaan dan verloren. Zoowel de antheridiën als archegoniën
zijn omringd met kortere of langere knodsvormige, meestal
gelede draden. Na de bevruchting groeit gemelde cel voort
tot een celgroepje, dat eindelijk het onderste buikvormige ge-
deelte van het archegonium dwars kringvormig doet bersten;
de onderste kleinste helft hiervan vormt nu eene soort van
scheede of kokertje rondom den steel der jonge vrucht (d. i.
genoemd celgroepje), terwijl de bovenste helft door den snel
voortgroeijenden steel Avordt opgeheven en dan — na verwel-
king van het halsgedeelte des archegoniums, — als een mutsje
boven op de vrucht hangen blijft (*). Dit mutsje, waarvan
Bloem- en vruchtdeelen van loofmossen.
(*) Alleen bij het veenmos {Sphagnum) berst het buikgedeelte van het archegonium
onregelmatig en laat den vruclitsteel door een spleet aan zijnen top onbedekt door,
zoodat zich hier geen mutsje op de vrucht vormt,
278. A. Draaisteel {Fundria htjgrométrica)\ tusschen de-bladen rijzen 2 lange stelen
op, ieder een vruchtje dragende; een daarvan is nog door het mutsje bedekt.
B. Een vruchtje van dompermos {Encalypta vulgaris)', nog niet opengesprongen en
nog bekleed met het mutsje. C. Hetzelfde, opengesprongen; door het loslaten van
het (daarboven afgebeeld) deksel, vrorden aan den rand 16 tandjes zigtbaar. D. Een
(mannelijk) plantje van MnUm, aan zijnen top in een omhulsel (bloem) antheridiën
dragende. E. Antheridiën en F. archegoniën van Mnium, beiden vergezeld van dra-
den. G. Sporen van Mnlum. H. Schislotéga osmunddcea-, de stelen der v oort plan tings-
deelen zijn niet met gewone blad-uitbreidingen bezet.