Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•220
omringd. Inwendig zijn zij hol en met eene slijmerige, kor-
relige vloeistof gevuld, welke men na eenigen tijd in eenen
celwand besloten vindt. Deze eerste cel is de aanleg der toe-
komstige vrucht.
Opdat deze zich als zoodanig kunne ontwikkelen, verondc-
stelt men ook hier eene aanraking met den inhoud der anthe-
ridiën. Dezen vertoonen zich als bolvormige of langwerpige
op een geleden steel bevestigde ligchamen en komen ten
opzigte hunner plaatsing nagenoeg met de archegoniën over-
een. In alle of eenige
der cellen, waaruit
zij zijn zamenge-
steld, bevinden zich
kleinere cellen, die
eenen fijnkorreligen
inhoud en als een ho-
rologieveêr opgerol-
de draden bevatten,
welke zich,bij hunne
vrijwording uit het
rijp gewordene antheridium, dat dan aan zijnen top openberst, als
bewegelijke zwermdraden voordoen. Deze zijn vaak aan het
eene uiteinde met een klein schijfje voorzien, hetwelk de
celwand is, waarbinnen zich het spirale draadje gevormd
heeft; aan het andere uiteinde komen gewoonlijk geene tril-
haren voor; slechts enkele malen heeft men beweerd ze al-
daar gezien te hebben. Men vermoedt, dat deze zwermdraden
in aanraking komen met gemelde cel in de holte van het
archegonium en haar tot vruchtvorming voorbereiden.
Door herhaalde (dochter)celvorming groeit deze namelijk
zoodanig voort, dat er een celgroep of ligchaampje uit ont-
staat, waarvan de onderste helft zich tot steel en de bovenste
tot eene daardoor gedragene vrucht ontwikkelt. Het halsge-
deelte van het archegonium verdroogt daarbij spoedig, doch
zijn onderste gedeelte groeit meestal met de jonge vrucht
216. Leverios met antteridien
275. Mannelijk exemplaar derzelfde plant j de gesteelde uitbreidingen zijn hier bijna
cirkelronde, stomp gelobde schildjes; deze dragen van onderen kleine sehubvorraige
blaadjes en daartu^sehen de antheridiën.