Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•219
van zich een opgerold spiraaldraadje bevindt. Wanneer nu in
rijpen toestand de gemelde 8 wandcellen uiteenwijken, dan
ontsnappen die draadjes, welke dan blijken met 2, soms ook
met 1 of 3 trillende haartjes voorzien te zijn en, terwijl zij
vaak reeds vroeger, nog in hare cellen besloten, eene duide-
lijke beweging vertoonen, nu in het hen omringende water
eenigen tijd zeer levendig rondzwermen.
Eene andere wijze van vermeerdering der kranswieren is
nu en dan ook waargenomen: daarbij laten namelijk enkele
korte stengelleden los en groeijen tot zelfstandige planten uit.
liij de levermossen (*) vindt men de voortplantingsdee-
lcn op hetzelfde of op verschillende individu's. In het laatste
geval noemt men die, waarop zich de archegoniën bevinden,
de vrouwelijke, en die, waarop de antheridiën voorkomen,
de mannelijke planten. De archegoniën vertoonen meestal
eene min of meer fleschvor-
mige gedaante, van onde-
ren namelijk buikvormig en
bovenwaarts in eenen hals
uitloopende. Zij slaan of
alleen of in groepjes bij
elkander, al of niet op
bepaalde plaatsen van het
loof, in holten hiervan ge-
nesteld, of zich daarboven
, , . verheffende; somtijds op de
214. Levermos iet archegoEiSn. ondervlakte van door eenen
steel gedragene schijfvormige uitbreidingen, soms met een
bekervormig bladachtig omwindsel van een of meer kransen
daaronder een antheridlum; B. 4 van de 8 wandcellen van het antheridiura sterker
vergroot; C. de fleschvormige cel, die zich binnen in het antheridium bevindt, aan
haren top met kleine celletjes bezet, welke draden dragen, waarvan er één in IJ
sterker vergroot is voorgesteld. Uit een van de celletjes dier draden ziet men een
zwerm draadje ontsnappen; daarnaast liggen reeds 2 geheel vrye zwermdraadjes;
in de overige celletjes van D liggen zy nog opgerold.
(*) Aldus genoemd, omdat sommigen daarvan vroeger tegen leverziekten gebruikt
werden. Zij zijn in 4 groepen verdeeld: Riccieën, Anthocereën, Marchantieën en
Jungermannieën.
274. Vrouwelijk exemplaar der veelvormige Marchantia (AfarcAdn/ia polymórpha).
Op eenen steel wordt eene stervormig verdeelde uitbreiding gedragen; aan de onder-
vlakte van elk straaltje dezer uitbreiding staan de archegoniën in eene rij tusschen
twee fraai gevormde bladachtige vliesjes.