Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•217
bevruchtende celletje gaat daarbij geheel
verloren. Zoo bij die bevruchting dus eene
geslachtelijke vereeniging behoort aange-
nomen te worden, dan verdienen deze
zwermende celletjes als het meest beteeke-
nende deel der mannelijke geslachts-
toestellen (antheridiën) beschouwd te
worden, en staan de sporen, of liever
de spore-vruchten, als de vrouwelijke
geslachtsdeelen daartegen over.
Bij de kranswieren of characeën
vindt men aan de uiteinden der krans-
vormig geplaatste takken weder kleinere
vertakkingen, waarvan elke uit éene cel
bestaat; sommigen houden deze voor
bladeren (z. b. bl. 187). Tus«clien of
onder deze kleine eencellige takjes of
blaadjes bevinden zich de voor de voort-
planting bestemde deelen, welke zich
als kleine, aanvankelijk groene, later
oranjekleurige knopjes voordoen en reeds
voor het ongewapende oog zigtbaar zijn.
Die deelen zijn van tweederlei aard:
vooreerst behoort daartoe de ei- of peervormige spore vrucht,
welke met spirale strepen bezet is, doordien er vijf cellen
spiraalvormig omheen gewonden zijn, wier uiteinden in den
vorm van een vijftandig kroontje aan den top der vrucht
uitsteken. Dc vrucht zelve bestaat uit eene groote cel, in
rijpen toestand met zetmeelkorrels en oliedroppels gevuld en
omringd met een vrij dik en ondoorschijnend omhulsel; het
VoortpläDtiDSsieelßn vao
m wier.
271. Van Fiicus platycdrpus. B. In het loof hiervan liggen vele blaasvormige ligcha-
men digt bijeen, welke sporen-voortbrengende moedercellen (sporevruchton, c.) be-
vatten. [In fig. 268 is iedere stervormige opening in den top de uitmonding van
zulk een blaasvormig ligchaam.] Nu en dan treden uit eene opening daarvan fijne
draden (a.) naar buiten, welke ook den binnenwand der blaasvormige h'lte beklee-
den (6). In dit bekleedsel verborgen, dus naast de sporevruchten, (of wel in afzon-
derlijke holten en dan ook soms op geheel afgescheidene planten,) liggen nu de an-
theridiën (die eigenlijk de eindcellen der gemelde draden zijn,) dikwerf in grooten
getale bundelsgewijs byeen, zoo als b. v. bij A is voorgesteld; d. zijn antheridiën,
gevuld met bevruchtende celletjes (by e. zijn deze sterker vergroot); /. is (even als de
beide onderste) een ledig antheridium.