Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•206
bepaalde gedaante, welke een oningewijde ligtelijk voor de zwam
zelve houdt, terwijl zij eigenlijk grootendeels de dragers der spo-
tten zijn.Door zeer snelle en rijkelijke cel vermeerdering verspreidt
gemeld draderig weefsel zich soms bijzonder sterk en is een
klein gedeelte daarvan niet zelden voldoende, om over eene
grootere ruimte spoedig eene al- of niet gewenschte zwam-
woekering te zien ontstaan (*). De sporendragers zijn bol-,
schotel-, beker-, hoedvormig, enz.; in het laatste geval (bij de
daarom zoo genoemde »hoedzwammen") vertoonen zich aan
de ondervlakte van den hoed, die meestal op eenen steel
steunt, de sporen, op straalvormige platen, zuiltjes, buisjes,
enz. De vorm en kleur der hoed verschillen dikw^erf in de
verschillende levenstijdperken der zwam; in jeugdigen toe-
stand is de geheele sporendrager met een algemeen omhulsel
omringd; bij latere uitgroeijing berst dit en blijven vaak nog
enkele overblijfselen daarvan in vlies- of ringvorm op den
hoed of steel zigtbaar. Gemolde platen, zuiltjes, enz. zijn nu
met een bijzonder vlies bekleed, van welks cellen zich eenige
sterk verlengen, aan haren top vier punten vormende, wier
uiteinden tot blaasvorniige cellen uitgroeijen, in elke waarvan
zich eene spore ontwikkelt. Bij rijpen
toestand dier sporen en na losraking
van de moederplant blijven zij nog in
deze blaasvormige (moeder)cellen be-
sloten. Alle soortgelijk ingerigte zwam-
men worden »vlieszwammen" ffenoemd «rn n -r.
, , f 251. BiSlli6Q.
en vormen de meest ontwikkelde zwam-
mengroep. De meeste eetbare zwammen behooren o. a. daar-
toe, waarnevens dikwijls ook zeer vergiftige voorkomen.
(*) Zoo b. v. de zoo gezochte truffels {Tuher dhdrlum), tot wier voortplanting men
een klein stukje aarde, met haar draderig weefsel (mycélium doorweven, in een daar-
voor geschikten bodem overbrengt. Zoo plant zich ook anderzijds de zoo zeer g'?-
vreesde huiszwam {Merülius lucnjmans) voort, die vooral in vochtige gebouwen, waar
zij zich eens genesteld heeft, moeijelijk uit te roe ij en is.
257. A. Basidiën noemt men al zulke cellen, welke op de beschrevene wijze
eene of talrijke sporen vormen, welke later, door afsnoering der moedercel en hier-
mede omringd blijvende, van de moederplant gescheiden worden —B, Sporebuizen
heeten de boven beschrevene buisvormige (moeder)cellen, welke zich bij rijpwording
openen en de sporen vrij laten ontsnappen. Het hier afgebeelde stelt een Idein gedeelte
eener overlangsche doorsnede voor van een bekerzwara {Peziza)-, van onderen ligt
het bekende zwamweefsel (z. b. bl. 68); daarboven een laagje ronde celletjes, en