Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
'204

verbonden blijven, omhuld plegen
te zijn.
Ten slotte verdient nog eene,
hoewel niet dikwijls, doch bij
eenige planten toch voorkomende
knopvorming vermeld te worden,
namelijk die uit het weefsel van
bladeren. Overal, waar zich vaat-
bundels in vereeniging met een
zeer jeugdig en in levendige ont-
wikkeling verkeerend celweefsel
bevinden, kunnen knoppen ontstaan (z. b. bl. 192), dus nu
en dan ook uit bladen (*). Deze knoppen nemen vaak den
vorm van kleine knolletjes aan (f) en kunnen, wanneer zij
van de moederplant gescheiden zijn, (waarop zij gewoonlijk
reeds bijworteltjes verkrijgen,) tot zelfstandige planten uit-
groeijen (§).
De zaadknoppen, zijnde de laatste eind- en okselknop-
pen in de bloemen, zullen wij bij de beschouwing van het
maaksel der bloemen nader leeren kennen'
255. VerieeMe knol
255. Van Saiyrium alhidum: a. de oude knol, waaruit de hoofdstengcl e is ont-
staan; b. de later gevormde knol, die eenen knop c. vormt voor eenen nieuwen sten-
gel; d. d. bijwortels.
(*) B. v. uit de kartels van den bladrand van Bryophyllum. — Dat door dezelfde
oorzaak ook wortelknoppen uit bladeren kunnen ontstaan, is reeds boven bl. 120 op-
geteekend.
(+) Van daar de hierop toegepaste benaming van knolknoppen, welke, volgens
sommigen, die den aardappel niet voor eenen waren knol houden, ook aan dezen
zou toekomen.
(J) Zoo ontstaan zij o. a. op den bladrand van de moeras-malaxis {^faldxis pnlu-
dósa), op de bladschijf van Omilhógalum thyrsoidéum, op den bladsteel van Arum
terndtum, van de gemeene veldkers {Carddmine praténsis), op den rand der bladner-
ven van geknakte bladen van gesnéria's, gloxlnia's enz.; ook op depluimen (bladvor-
mige assen) van sommiga varens, enz.