Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•203
Icn, of ook als zoogenaamde » scliijnknollen" beschouwen moet.
Het kenschetsende karakter van eenvoudig verdikte wortels
ligt wel daarin, dat deze nimmer regtstreeks bladknoppen
voortbrengen (z. b. bl. 119) en er dus geene nieuwe planten-
individu's uit ontspruiten kunnen. De schijnbare wortels zijn
echter somwijlen niets dan onderaardsche stengeldeelen, of
wel komt er aan het bovenwaarts gerigte einde van eene ware
wortelvorming, zonder merkbaren overgang, een stengeldeel
met zeer verkorte tusschenknoopen voor, enz., en van daar de
oorzaak der uiteenloopende meeningen omtrent den aard van
sommige knolvormige deelen.
Onder scliijnknollen worden gewoonlijk verstaan onder-
aardsche knoppen, wier as slechts voor een bepaald gedeelte
knolvormig
verdikt is, ter-
wijl dit bij de
echte knollen
met de geheele
as het geval is.
Zoo worden o.
a. de knolvor-
mingen in de
groep der stan-
delkruiden (orchideën) als schijnknollen beschouwd. Anderen
zien daarin eenen waren knol, die uit de vereeniging van
eenen stengel- en wortelknop gevormd zou zijn; het onderste
uiteinde kan soms in eene verdeelde gedaante voorkomen. De
bijwortels ontspruiten echter altijd uit den voet van den uit
den knol gesprotenen stengel en dus boven den knol. Voor
anderen eindelijk zijn schijnknollen alleen de bij orchideën
in de heete luchtstreken voorhandene bovenaardsche groene
knolvormige opzwellingen van stengelleden, uit wier top
(eindknop) bladeren en vaak ook bloemdragende stelen ont-
springen. Deze laatsten worden ook beschouwd als de uit-
spruitsels van okselknoppen, die zich in de verdroogde schee-
degedeelten der bladeren zouden vormen, waarmede deze op-
gezwollene stengelleden, welke steeds met de moederplant
254. Van de harlekijns-orchis {Orchis Mório)a. geheel; overlangsche doorsnede; —
regts de oudste, reeds gedeeltelijk ineengeschrompelde knol; links de jongst gevormde.
264. Sckijnhol.