Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•201
a..
249. Inwendige knolvorining.
Onder de sporendragende planten (z. b. bl. 110) vindt men
ook reeds bij enkele gewassen eene knolvorming; zoo met
name in de groep der paardestaartigen,
aan wier wortelstok zich de bijknoppen
in dier voege ontwikkelen, dat zij zich
deels als bolachtige, fleschvormige, wit-
gekleurde deelen voordoen, uit wier as-
gedeelte jonge stengels kunnen uitsprui-
ten, of wel als langwerpige, zwarte knol-
letjes , waaruit op elke plaats nieuwe
knoppen kunnen voortkomen, die zich
tot stengels verlengen kunnen. Zelfs bij
wieren, korst- cn levermossen vindt
men somwijlen celgroepen, die, van
de moederplant losrakende, eeniger-
mate zoo als de vrijgewordene knoppen
der vaatplanten, tot zelfstandige indivi-
Knolvorinige bijkooppea.
du's kunnen uitgroeijen. Zoo vindt men ook bij eenige loof-
bereiding tot voedsel zoo zorgvuldig uitsnijdt, welke echter onmisbaar zyn, wanneer
men uit éénen aardappelknol meerdere planten verkrijgen wil, omdat daaruit de
jonge stengels moeten uitspruiten (waarvan hier één bij het begin zijner ontwikke-
ling is afgebeeld), die in eenen daarvoor geschikten bodem spoedig bijwortels en
bladeren vormen, waarna de moederknol, van zynen inhoud (voornamelijk zetmeel)
ontdaan, verloren gaat.
249, Somwijlen breekt door toeval zulk een jonge fetengel of uitlooper van buiten
af (3. d); dan vormen zich binnen in den knol tusschen de bladoksels nieuwe knop-
pen (3. c), die ook knolvormig worden (8, h) en tot een' nieuwen aardappel uitgroei-
jen (3. o), welke zich eindelijk door den moederknol heen eenen weg naar buiten
baant (l en 2.) — Fig. 249 3 stelt den doorgesnedenen moederknol voor.
2.50. Wortelstok met knollen eener paardestaart (Equisélim ßuvidlüe).