Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•IDG
238. VcrscMl iri het uitwendig aanzien der knoppen,
uitwendig zigtbare knopdeelen enz., dan, waarlijk, zal men,
288. Eenige knopdragendo takken, waarvan de bladen, in wier oksels zich de
knoppen ontwikkeld hebben, reeds afgevallen zijn; onder eiken tak is een der knop-
pen eenigzins vergroot voorgesteld; a. beuk {Fügus sylvuiica): stijve, regte, schuins
gerigte knoppen; b. haagbeuk {Carpinus Hétulus): gelijksoortige, doch eenigzins ge-
kromde, tegen den tak aanliggende, fijn behaarde knoppen; c. eik [Quércus): veel
knoppen bijeen aan den top; het merg van den tak is vijfhoekig (g) [bij els en berk
is dit driehoekig] ; d. iep of olm {Ulmus): de behaarde knopschubben staan onderling
afwisselend in 2 rijen; e. linde {Tilia): uitwendig slechts twee knopschubben zigt-
baar; /. wilg {Sdlix): uitwendig slechts één kapvormig knopbekleedsel. — Voor het
onderzoek van de knopbekleedselen bezigt men een klein tangetje en een puntig mes;
die met eene harsachtige laag bekleed zijn, ontdoet men hiervan door ze in wijngeest
af te wasschen. Het mes, dat men tot doorsnijding der knoppen bezigt, bevochtigt
men daarom ook vooraf met wijngeest. Zeer dikwijls zal men meer knopbekleedselen
inwendig aantreffen, dan men aanvankelijk bij de uitwendige beschouwing verwacht
zou hebben; vaak vindt men de binnenste deelen der knoppon met eene menigte
ti|ne, soms als zijde glanzige haartjes bezet, zelfs dan, wanneer zij later in ontwik-
kelden toestand geheel onbehaard zijn.