Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•191
andere plaatsen dan de genoemde voorkomen, worden hij-
knoppen geheeten.
Om de inrigting van eenen knop te begrijpen,
moet men dien in verschillende rigtingen, — met
name in dc lengte en dwars -— doorsnijden. Bij
eene overlangsche doorsnede zal dan het jonge as-
gedeelte zich als een klein heuveltje vertoonen,
waarop zich de jeugdige bladen bevinden. Wan-
neer nu dc verdere groei der knoppen niet onmid-
dellijk na hun eerste ontstaan onafgebroken voort-
gaat, maar zij, vóór dat ze zich verder ontwikkelen,
een poos in knoptoestand blijven verkeeren (zoo '
als b. V. bij de meeste onzer boomen, wier knoppen in het
najaar ontstaan en eerst in het volgende voorjaar uitgroeijen),
dan vindt men dikwijls een verschil tusschen het voorkomen
der buitenste (of onderste)
van genoemde bladen en
dat der binnenste (of hoo-
gere) bladen van den-
zelfden knop. De buitenste
bedekken alsdan de bin-
nenste geheel of gedeel-
telijk en zijn meestal eenig-
232, Aari der knop-bekleedsels. leörachtiger of stevi-
ger, niet zelden ook anders gekleurd en eenvoudiger gevormd
dan de binnenste, somAvijlen ook sterk behaard of wel met
eene kleverige harsachtige stof bedekt (b. v. bij den populier
en den wilden kastanje). De aard dier buitenste bladen is
verschillend; het kunnen alleen bladscheeden of bladschijven
of bladstelen zijn, ook wel steunbladen, ook tegelijk stelen
231. Overlangs doorgesnedene eiken-knop. In het midden bevindt zich de nog zeer
korte ineengedrongene jonge tak — de zoogenaamde as of kern van den knop —
met de zijdelings daarop gehechte jonge bladeren. Bij uitgroeijing der as worden ook
de bladeren van elkander verwijderd. Is de hieruit voort te spruiten tak gedeeltelijk
of volledig ontwikkeld, dan behoudt zyn uiterste spits nog steeds het vermogen tot
vernieuwde knopvorming. IJe oorsprong der bladen is altijd even onder die spits
gelegen.
2.32. De knopbekleedsels (ook wel schubben genaamd) uit denzelfden knop eener
aalbes (Ribes). De eerste (buitenste) zijn bladstelen; daarop volgen bladstelen meteen
aanleg tot bladschijf; dit gaat in de volgende nog iets verder, tot dat in de binnen-
ste bladeren het blad zijnen gewonen vorm bereikt heeft.