Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•187
van eenen vaatbundel in het plantenrijk. Daarnevens voegen
zich andere (*), waarbij men voor het eerst eene opperhuid
met spleetopeningen aantreft, die bij de bebladerde levermos-
sen niet voorkomt. In eene andere groep eindelijk (f) vindt
men in eene reeks kleine schubjes de eerste optreding van
ware bladvormingen.
Bij de chara's komen, volgens sommigen, geene bladeren
voor; anderen beschouwen de kransvormig geplaatste takjes
als bladeren (z. b. bl. 129).
Bij de wieren, korstmossen en zwammen eindelijk bestaan
geene bladeren. Men vindt
wel is waar onder de wie-
ren gewassen, wier vormen
soms met die van stengels
of bladen overeenkomen;
de bouw en wijze van ont-
wikkeling dezer deelen lee-
ren echter ten duidelijkste,
dat daarop die benamingen niet toegepast kun-
nen worden. Hetzelfde geldt van het bladach-
tige loof van vele korstmossen (z. b. bl. 128),
hetwelk in volwassen toestand uit vier lagen
bestaat en waarvan de bovenvlakte altijd an-
ders van maaksel en kleur is dan de onder-
ni Wier.
Aldus afdalende door de reeks der plantaardige gewroch-
ten, stuit men ten slotte op die, waarin ééne enkele cel, al-
leen voor het gewapende oog zigtbaar, eene geheele plant
vertegenwoordigt (z. b. bl. 126). Terwijl men nu deze één-
cellige gewassen, wegens hunnen geringen omvang, als de
eenvoudigste onder de levende schepselen beschouwen kan,
vergete men echter niet, dat ons nog de hulpmiddelen ont-
breken, om alles, wat er hier, binnen zulk eene zeer beperkte
ruimte voorvalt, naauwkeurig te onderscheiden. Dit is te meer
te betreuren, omdat juist een helder begrip van het leven der
Zwam.
(*) De groep der Ricciéën.
(t) Die der Marcliantiêën. -
228. Mdcrocyslis angustifólia.
229. Eetbare kampernoelje of champignon {Agdricus campéulris).