Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•212
Steunhlad-voriningeQ.
gen (waartoe b. v. de zuring, de boekweit, de rliabarberplant,
enz. behooren), vindt men de steunbladen in den vorm van
een vliezig kokertje rondom de assen, enz. En, even als wij
reeds van de assen en gewone bladeren vernomen hebben,
dat zij zich onder den vorm van ranken of doorns kunnen
voordoen (z. b. bl. 139 en 140), zoo geldt dit ook van de
steunbladen. —
Onder de wolfsklaauwgen vindt men slechts bij één ge-
slacht (*) bladvormige assen met zeer eenvoudige schubvor-
mige blaadjes. Bij de overige daartoe behoorende planten
echter zijn die deelen, welke men reeds op het eerste gezigt
voor bladen houdt, inderdaad ware bladen, die allen onge-
steeld zijn en langs de as afloopen. Bij de selaginella's is
de bovenzijde van de stengels en takken met eene dubbele
rij kleine en de ondervlakte daarvan met eene dubbele rij
groote bladen bezet. De kleine op den voet dier bladen
voorkomende peervormige celgroepjes moeten als steunblad-
vormsels beschouwd worden. Door het parenchym der bladen
loopt een vaatbundel (z. b. bl. 145), en hun opperhuid bezit
aan weerszijden spleetopeningen,
223. a. De steunbladvorming bij de grassen, waarvan er hier eene is afgebeeld,
wordt tongetje genoemd; b. de buisvormige uitbreiding bij de veelknoopigen heet:
tuitje; c. bladeren van Lathyrus Aphdca; de bladeren hebben hier den vorm van
ranken (dit vindt men o. a, ook bij komkomniergewassen); de daaronder staande
bladachtige uitbreidingen zijn de bij elk blad behoorende steunblaadjes; d. gevind
blad der zoo genoemde Acacia {Roh'mia Pseudo-Acacia) de steunbladen zijn hier
doornvormig.
C^) Isoélfs.
\