Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•180
spiraalvormige bladstanden steeds geringe afwijkingen opleve-
ren van ëénen enkelen afstand, waarvan de gemiddelde groot-
te — voorgesteld als een gedeelte van een cirkelomtrek •—
137graden^ 2Qjninuten ^n bedragen zou. Eene omstan-
digheid, die somwijlen den bladstand schijnbaar geheel onre-
gelmatig kan doen voorkomen, is het bestaan van een om
zich zelf gedraaid as-orgaan.
220. Naaldeo.
De groep der conifdren, welke ^aj reeds vroeger (*) hebben
220. a. Top van eenen tak van den zilverspar {Ptnus Picea); b. van den fijnen
spar {Pimi$ Abies)-, c, van den den {Pinus sylréstris)', bij allen is een blad (bij c
twee) en de dwarse doorsnede daarvan afzonderlijk voorgesteld. Bij den den is elk
blad half-cylindervormig; bij den fijnen spar en den lorkenboom {Pinus lArix) bijna
vierkant; bij den zilverspar en den taxis {Taxus haccdta) vlakker en breeder. —
(Pijnboom is slechts eene algemeene benaming voor de planten van het geslacht
Pinus.) — De hoogste tot dusver bekende boom, zijnde de mammouthboom (/Fd/i«^-
iónia of Sequoia gigantea, of wel Sequoia WcUingtónia) uit Californië (waarvan men
er vond, die 360 voeten hoog waren), behoort ook tot de naaldboomen. — In den
laatsten tijd is men zeer geneigd, de naalden der coniferen als as-vormingen te be-
schoi?wen en de kleine aan den voet daarvan voorkomt-nde blaadjes voor de eigen-
lijke bladeren te houden.
(*) Z. b. bl. 77, 78 (in de noot), 87, 108 en 148.