Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•173
soms aanwezige oliën of harsen bevinden zich in afzonderlijke
celgroepjes (klieren), gangen, enz. (*)
De bouw van bladscheeden is nagenoeg geheel gelijk aan
die van bladschijven. — In bladstelen vindt men voorname-
lijk een verschil daarvan in de betrekkelijke plaatsing der
deelen; alles ligt hier namelijk min of meer kringvormig;
meestal echter vindt men daarin bij dwarse doorsnijding de
vaatbundels in een halven cirkel geplaatst. — In sommige
bladstelen, voornamelijk bij waterplanten, vindt men langwer-
pige luchtholten.
Het parenchym kan tusschen de
aderen der bladschijf overal ge-
lijk verdeeld zijn, gelijk dit meest-
al ook voorkomt. Somtijds vindt
men het echter in zoo ruime
mate ontwikkeld, dat het hier en
daar als verhevenheden uitpuilt,
als ware er meer gevormd, dan tot
eene gelijkmatige aanvulling noo-
dig was. Dit kan ook als ziekelijk
verschijnsel, b. v. ten gevolge van een insektensteek, voorkomen.
Doch ook het omgekeerde heeft somwijlen plaats. Na den
aanleg van het jonge blad in eenen bepaalden vorm scheurt
het parenchym namelijk aan den rand (b. v. bij de palmen)
of ook wel midden in de bladvlakte (b. v. bij sommige aroi-
deën) langzamerhand meer of minder diep in, doordien op
enkele plekken, bij verderen wasdom van het overige gedeelte,
de groei blijft stilstaan.
In enkele gevallen breidt zich de bladzelfstandigheid op
eene minder gewone wijze uit. Zoo kan b. v. de middelnerf
(d. i. de midden door de bladschijf, als regtstreeksche vftort-
zetting van den bladsteel loopende vaatbundel) rankvormig
door den top der bladschijf uitgroeijen (f). Ook vindt men
213. Parenchyiïerdeeling in de bladschijf.
(*) De oliebevattende klieren schemeren meestal, wanneer men de bladeren, waarin
ze voorkomen, tegen het licht houdt, als gele of kleurlooze stipjes door.
21.3. a. Een geheel effen blad; b. een rimpelig blad (b. v. van Primula elalior)-, c. een
hier en daar openingen vertoonend blad (b. v. van Dracóntium-, Monstéra-i( nrten,
enz.); d. een regelmatig van zulke openingen voorzien blad (b. v. van l^ydrogéton
fmetirdle).
(+) B. v. bij MuHna runcinatix.