Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
17-2
Weefsel ïaa bladscMjTen.
bekleed , <lie , wan-
neer de bladeren in
de vrije lucht groei-
jen, aan de boven-
vlakte óf geene, óf
althans meestal veel
mindere spleetope-
ningen (bl.91) bezit,
dan aan de onder-
vlakte. De op het
water drijvende bla-
deren bezitten ze al-
leen van boven, de
geheel ondergedo-
kene in 't geheel niet (verg. »epiblema," bl. 90). Niet zelden
is de opperhuid van allerlei aanhangsels (haren, klieren, enz.
z. 1). bl. 94) voorzien; dikwerf zijn alleen de bladeren in zeer
jeugdigen (knop-)toestand met haren bekleed, welke zij later
weder verliezen (b. v. bij den wijnstok); over 't algemeen is
de ondervlakte der bladschijven meer behaard dan de bo-
venvlakte. Ter plaatse, waar de minste spleetopeningen in de
opperhuid zijn, dus in den regel aan de bovenzijde, zijn de
cellen van het parenchym digter opeengedrongen en staan zij
daar vaak zeer geregeld, eenigzins loodregt op de vlakte van
het blad, naast elkander. Aan de onderzijde vincit men ge-
woonlijk een losser, sponziger weefsel, met wijde tusschen-
ruimten, die met lucht gevuld zijn; van daar ook de gemeenlijk
lichtere kleur van de ondervlakte der bladeren. Deze luchtholten
staan met elkander en met de sluitcellen in verband; zij zijn
het grootst en dikwijls zeer regelmatig nabij het midden van
het weefsel der onder water levende bladeren. In de dikke,
vleezige bladeren der zoogenaamde vetplanten vindt men vrij
aaneensluitende cellen, die .steeds grooter worden en minder
bladgroen bevatten, hoe meer zij nabij het midden gelegen
zijn. In het bladparenchym komen, behalve bladgroen, ook
andere kleurstoffen, zetmeel, krystallen, enz. voor; de daarin
•21-2. Dwarse doorsnede door de bladschijf der witte lelie {LUium candidum). Het
verschil tusschen de bovenzijde der opperhuid zonder - en de onderzijde met spleet-
openingen, als ook dat tusschen den bouw der bovenste en onderste parenchymlagen
springt terstond in het oog. Geen der aders is in deze snede mede opgenomen.