Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
170
standers van het gevoelen,, dat de vorm van een blad voor-
namelijk van den loop zijner aders afhangt.
Die loop der vaatbundels kan nu zoodanig zijn: 1°. dat zij
zich van den voet tot den toj)
der bladschijf in regt- (fig. 209)
of kromlijnige (fig. 210a) rigting
uitstrekken, zonder dat zij door
zijtakken onderling vereenigd
zijn. (Een regtlijnig evenwijdig
verloop vindt men bij zeer vele
eenzaadlobbigen, o. a. bij al dc
grassen.) 2°. Ontspringen zij aan
M9. 21Ö. 211.
Loop der vaatbundels in de bhdereo.
den voet der bladschijf straalvormig (fig. 211), waarna zij niet
zelden in dunnere bundels gesplitst worden, welke door zij-
takjes onderling in verband staan. 3®. Loopt overlangs door het
midden der bladschijf een enkele vaatbundel, waaruit aan weers-
zijden dunnere bundels ontspringen (fig. 210 Z>), waarvan ook klei-
nere zijtakjes met elkander kunnen zamenhangen. (Deze beide wij-
zen van aderverspreiding, inzonderheid de laatstvermelde, vindt
men voornamelijk bij de tweezaadlobbigen.) Terwijl nu bij de
209. Zulke bladeren heeten regtnervig. Bij minder fijne onderscheiding noemt
men dezen te zamen met de kromnervige (zie noot '210); overlangsnervig;
voorbeelden: tulpenbladeren (Tulipa gcsneriana), die van leliën (LUium), narcissen
{Narcissus), der meeste grassen, enz.
210. a. De met deze aderverspreiding voorziene bladeren heeten kromnervig,
b. v. die van het vierbladig pariskruid {J^dris quadrifólia); weegbree-(P/«n/«^o-)soor-
ten; zeer vele orchidéen, enz. — h. Zulke vinnervige bladeren, gelijk men ze
noemt, zijn de meest voorkomende; zoo die van de meeste onzer boomen,
211. Voorbeelden dezer vaatbundelverdeeling in bladeren, welke men alsdan hand-
nervig noemt, vindt men b^j den scherpen ranonkel {Ranunculus acris)i de boter-
bloem {Cdliha palüsiris) [deze laatste plant heeft een grootere bloem dan die ranon-
kel-soorten, welke men in het gewone leven ook wel „boterbloempjes" hoort noemen] ;
de Oost-Indische kers {Tropaéolmn mdjus), den gemeenen waternavel {Hi/drocólyh:
rul^dris), de roode basterdmuur {AnagdUis arténds), enz.