Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•169
echter ook niet zelden (zoo als o. a. bij
de grassen en andere eenzaadlobbigen^)
regtstreeks, d. i. zonder bemiddeling van
eenen bladsteel, de bladschijf beneden -
waarts uit, en — in weêrwil van den hier
ontbrekenden bladsteel — zijn zulke bla-
deren niet minder volkomen ontwikkeld
te achten dan de zoo even vermelde. Om-
l Bkdsclieede. gekeerd komen er ook Avel bladeren voor
(b. V. als omliulsels van bollen, enz.), die uit niets anders
dan uit het scheedegedeelte bestaan, en zelfs zijn er bladeren,
alleen gevormd uit den bladsteel, welke alsdan door zijne
verbreeding het aanzien van eene bladschijf verkrijgt. Een
blad kan derhalve uit 3 deelen bestaan : uit
schijf, steel en scheede, maar ook uit een
schijf zonder de anderen of zonder één der
anderen, of wel alleen uit den steel of al-
leen uit eene scheede.
Om na deze korte uitwijding tot de ade-
ren terug te keeren, zoo verdient het in
de eerste plaats vermelding, dat er een
naauw verband bestaat tusschen den vorm
der bladeren en de wijze, waarop de aders daarin verspreid
zijn. Onbeslist is het nog, welk van beide verschijnselen (de
bladvorm of de aderverspreiding) als grondslag of oorzaak
van het andere beschouwd moet worden. Velen hellen tot de
meening over, dat de gedaante, welke een blad verkrijgen
zal, bij zijnen aanleg reeds bepaald is en dat zich hiernaar
het vaatbundelverloop daarin regelt; er zijn echter ook voor-
m. Verbreeie bladsteel.
•J07. Van eene plant uit de groep der scherradragenden, b. v. van engelwortel {An-
gélica sylréslris), zevenblad {Aegopódiuin Podagrdria), beerenklaauw (Herdcleum Sphon-
dylium), enz.
tiOS. Blad van Acdóa héterophylla. Bij deze en andere Australische Acacia-soorten
zyn alleen de in de eerste leven.«ijaren der plant gevormde bladeren van (gevinde)
blad.schyven (a) voorzien. Bij het vogellijm (f^iscum album) komen ook zulke verbreede
bladstelen voor. Gewoonlijk staan deze uieer verticaal dan gewone bladschijven,
welke men in den regel horizontaal aantreft; hunne zelfstandigheid is niet Kjelden
steviger dan die der meeste bladschijven en de aders loopen er in gekromde rigting
doorheen. — Er zijn ook planten, wier takken zulk eenen schijnbaren bladschijfvorm
bezitten. Hunne wijze van ontwikkeling (met name de groei aan den top) en ook
niet zelden het regtstreeks dragen van bloemen kan elke verwarring met bladeren
voorkomen (z. b. bl. 141).