Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•168
l>evindl, optreden. De bestanddeelen der vaatbundels zijn lui
iu het blad evenzoo van de boven- naar de ondervlakte ge-
keerd, als dit in den stengel van binnen naar buiten het
geval pleegt te zijn, hetgeen ook in den bladsteel, daar,
waar deze aanwezig is, wordt opgemerkt.
Een bladsteel is niets dan het onderste versmalde en,
bij den aanleg, het laatst gevormde gedeelte van een blad.
Dat verbreede gedeelte, waarin men de vaatbundel- of ader-
verspreiding kan volgen, wordt meer bepaald blad schijf
genoemd, en reeds boven (bl. 165)
is op het verschil gewezen, hetwelk
zich in den omtrek of rand dier
bladschijf kan voordoen. Zoo zal
het u ook bij oplettende beschou-
wing niet ontgaan, dat de top en
der blaikhi]!
de voet der bladschijven ook veel verschil in vorm ver-
toonen. Bij zeer vele tweezaadlobbigen is de steel van onde-
ren eenigzins dikker en geleed met het stengeldeel, waarop
het zich bevindt. Zijn zulke bladeren afgevallen, dan blijft er
soms een verheven likteeken over. I\Icn vindt dit meestal
liij de inhechting der zamengestelde bladeren. Een blad,
waaraan echter geen bladsteel wordt opgemerkt, is daarom
niet minder als een volmaakt blad te beschouwen, zoodat het
onjuist is, zich voor te stellen, dat een blad, om volkomen
genoemd te kunnen Avorden, een schijf, steel en scheede zou
moeten bezitten. De bladscheede kan zich namelijk voor-
doen als eene zijdelingsche uitbreiding van den voet des blad-
steels, welke men bij sommige tweezaadlobbige planten aan-
treft. In zulk eene min of meer gootvormige bladscheede loopt
205. Een top als a noemt men: Jiitgesneden; b uitgerand; c afgeknot; d afgerond-,
e spits ; / gespitst.
206. Een voet als a heet: hartvormig; h niervormig; c halvemaanvormig; d pijl-
vormig ; e spiesvormig; / afgerond; g versmald. — Behalve de genoemde komen
nog een aantal andere ver«-chcidrnheden in de vorming van den rand. voet en top
der hladschijven voor.