Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•166
den gemeenschappelijken en daarmede door geleding ver-
bondenen steel, dan ontstaat hieruit het zoogenaamde ge-
vinde blad (b. V. bij de roos). Groeit echter tusschen de
verschillende blaadjes van één zamengesteld l)lad de alge-
meene steel niet uit, zoodat zij slechts met hunnen voet
(d. i. het tegenover hunnen top of spits gelegen gedeelte)
aan het uiteinde van dien steel door geleding zijn vastgehecht,
dan noemt men zulk een blad gevingerd, wegens de verre
gelijkenis daarvan met de uitgespreide vingers der hand
(b. V. het wilde kastanjeblad). In zeer jeugdigen (knop-)toe-
stand doen zich de gevinde bladeren, doordien de steel alsdan
nog niet tusschen de blaadjes is uitgegroeid, als gevingei-de
voor. Onder een dezer beide hoofdvormen, gevind of gevin-
gerd, kunt gij nu nagenoeg al de zamengestelde bladeren
rang.schikken. Opmerkelijk is het, dat men geene echt zamen-
ft N gestelde bladeren el-
ders dan bij de twee-
zaadlobbigen en hierbij
nog alleen in bepaalde
groepen aantreft (zoo
als bij de peulgewas-
sen, de rozen, de es-
H GevindB blaleren. schen, enz.). Wat bij
de palmen, die tot de eenzaadlobbigen behooren, op zamenge-
stelde bladeren gelijkt, zijn slechts enkelvoudige bladeren, die
na zekeren tijd in dwarse of overlangsche rigting inscheuren,
en waarvan dan de afzonderlijke lobben soms als de blaadjes
van een zamengesteld blad van elkander verwijderd raken.
Aan hunnen voet zijn al die lobben echter zeer naauw (en
nimmer door geleding) met den algemeenen steel verbonden.
Over 't alge-
meen vindt
men de meeste
afwisseling in
bladvormen bij
de tweezaad-
lobbigen, ter-
wijl de blade-
•202 en 20.3. Wanneer men beide seheniatibche voorstellingen vergelijkt en al die