Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•165
of gaaf blijven. Komen echter aan het jonge celkegeltje uit-
springende punten voor, dan zal het blad, naar gelang die
punten meer of minder gelijkmatig uitgroeijen en kleiner of
grooter worden, eenen rand vertoonen, die in tandjes, kartels
of zelfs grootere lobben is ingedeeld; intusschen blijven al
deze uitspringende punten onderling ook later door pa-
renchymweefsel tot een geheel vereenigd. Al zulke bladeren
(waartoe ook o. a. het lindenblad, het eikenblad, enz. behooren,)
noemt men enkelvoudige. De aanvanger in de plantenstudie
zal zich niet zelden vergissen, door een zeer sterk ingedeeld blad
niet voor een enkelvoudig te houden; hij behoeft er echter
slechts op te letten, of de groene bladvlakten al of niet vast za-
menhangen met de voortzetting van den steel, welke midden door
die allen heenloopt of ze althans te zamen verbindt. Wanneer dit
door de zeer diepe randverdeeling twijfelachtig begint te worden,
heeft men met overgangs-vormen te doen. Zoodra echter de
randverdeeling dien graad heeft bereikt, dat de daardoor ont-
stane bladvlakten het voorkomen van afzonderlijke bladeren
verkrijgen, die dikwijls zelfs van een eigen steeltje voorzien
zijn, doch in allen gevalle met den algemeenen steel, wiiarop
zij allen bevestigd zijn, door eene geleding (z. b. bl. 144)
vereenigd zijn, dan noemt men die bladvlakten »blaadjes"
en die allen te zamen met den hoofdsteel: ëën zamenge-
steld blad. Vormden zich nu ter weerszijden van het eerste
celkegeltje regelmatig onder elkander soortgelijke uitspringende
punten, welke zich tot op zich zelf staande blaadjes uit-
breiden langs éénen langwerpig tusschen die allen uitgegroei-
200. Een rand als a noemt men : gezaagd; 6 of c getand; d gekarteld j e bogtig;
/ uitgevreten.
201. Zulke overgangsvormen tussclien enkelvoudige en zamenge^telde heeten over
't algemeen: vinspletig. — Voorb,: a blad van Knaulia arvénsis; h van gewoon
kniiskruid {Sencdo ndgiiris); c van duizendblad {Achülm Millefólium).