Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
ir>G
k e 1 ij k e schorsgedeelte
niet met het later ge-
vormde verwart. Het
eerste is reeds in de kiem
en in den aanleg van el-
ken nieuwen tak voor-
handen. Op den jongen
stam of tak vindt men
het nog met de opper-
huid (z. b. bl. 91) be-
kleed, die dikwijls met
spleetopeningen en haren
voorzien is. Gewoonlijk
sterft de opperhuid na
korteren of längeren tijd
en wel meestal ten ge-
volge van het ophouden der celvermeerdering of eigenlijk
van het ontstaan van kurklagen in de oorspronkelijke schors,
die vaak ook zelve bij grootere of kleinere brokstukken wordt
afgeworpen. Daar, waar de laatste echter nog bestaat, is zij
meestal zamengesteld uit eenige parenchymlagen. (In kruid-
achtige gewassen vindt men niet zelden in die oorspronke-
lijke schors onder de opperhuid een dikwandig, onverhout
192. Ooregelniatige hootvonniojeD,
192. a. Dwarse doorsnede van PaulUnia pxnnata', rondom ééne centrale houtmassa
bevinden zich meerdere zelfstandige houtgroepen, gedeeltelijk van mergstralen voor-
zien. b. Van Heterópterys anómala, hier en daar met enkele mergstralen; de stippen
stellen de vaten voor. c. Van Banistéria nigréscen$\ hoe ouder de stam wordt, des te
dieper en veelvuldiger wordt hij gesplitst, d. Van Bignónia capreoldta, met kniiseling-
sehe verdeeling der houtlagen. e. Gedeelte van een klimplant (Banisléria scandcns),
aan weerszijden telkens afgebrokene houtvorming vertoonende.