Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
1-lG
ISl. Dwarse doorsnede van eenen
coniléren-stira.
of' lak der conifércn (z. b. bl. 87).. Bij dezen is intusschen elke
houtring de aanwijzing der jaarlijksclie afzetting van nieuwe
houtkokers en hier verdienen die ringen dan ook den naam
van jaarringen (z. b. bl. 80) en onderzoekt men oudere
stammen, dan vindt men het getal dier
ringen ook overeenkomstig met hunne
doorleefde jaren. Op lateren leeftijd
ziet men het in het midden gelegene
merg van lieverlede in omvang ver-
minderen en soms geheel verdwijnen.
Ook hier vindt men slechts talrijke
kleine mergstralen. De binnenste hout-
koker, dien men, omdat hij het merg
omringt, mergkoker ofmergschee-
de noemt, bestaat, even als bij de
cycadeën, uit verhoute spiraalcellen.
Ook treft men hier eenen voor verdere ontwikkeling vatbaren
verdikkingsring aan. De zamenstelling der schors bepaalt zich
evenzeer tot parenchym en bastcellen, waartusschen dikwijls
hars bevattende cellen en tnsschencelsruimten (z. b. bl. 99)
voorkomen. Ook in de afzetting der schorslagen is, hoewel
minder duidelijk, eene aanwijzing van jaarringen waar-
neembaar.
Bij de loranthaceën eiiulelijk (z. b. bl. 87) vindt men soms
(o. a. in onze vogcllijmplant) eene door gi-oote mergstralen
doortrokkene houtmassa, zonder jaarringen, met een zeer be-
perkt merg en eene omvangrijke schors.
Bij de eenzaadlobbigen vindt men weinig verschil in den
bouw der écn- en meerjarige stammen. Zoo is ook het voor-
komen van den jeugdigen of kruidachtig blijvenden stengel
der eenzaadlobbigen, op de dwarse doorsnede, nagenoeg het-
zelfde als dat van de stengels der tweczaadlobbigen. —
Men vindt eenzaadlobbigen met ontwikkelde en andere met
181. Er zijn in dezen jenpdigen stam nog slechts 3 jaarringen gevormd. In het
midden vindt men het nog betrekkelijk omvangrijke merg, dat echter — bij verderen
houtgroci — ineengedrongen wordt, terwijl alsdan ook de binnenste hontkringen,
wanneer zi] nog niet geheel verhard zijn, digter worden fneengepcrst en zich daar-
door smaller zullen voordoen. De om het hont gelegene kring (als donkere, afgebro-
kenc streepjes aangeduid) stelt het bastgedeelte voor, waromheen zich de schors met
de oppprhuid brvindt.