Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
144
rige sporeplanten — bij verderen wasdom alleen aan den top
voortgroeit, en de vergrooting in omvang (verdikking) geenen
gelijken tred houdt met zijnen meerderen ouderdom. Ditzelfde
geschiedt ook met die vertakkingen, welke zich als bladeren
voordoen, en reeds daarom heeft men het regt deze als
assen en niet als bladeren te beschouwen (z. b. bl. 116).
Bij de paardestaartigen — een in vroegere tijden veel aan-
zienlijker groep van ge-wassen — ontspruiten uit een onder-
aardsch stengelgedeelte boven den grond geleede (*) en al of
niet vertakte, meerendeels gesleufde, groene stengels, waarin
men o. a. bundels van bastcellen, gestippelde vaten, enz.
aantreft, in eenen kring geplaatst, zoodat ook hier het overige
losse parenchymweefsel in »schors" en »merg" gescheiden
wordt. Midden door het laatste, ook door de schors, en zelfs
binnen eiken vaatbundel loopen luchtkanalen, die slechts op
de plaats der geledingen afgebroken zijn. Men begrijpt, dat
die geledingen het gevolg zijn van de ontwikkeling der tus-
sehenknoopen. Het geheel is met een bijzonder vaste, aan
kiezelaarde (z. b. bl. 34) rijke opperhuid bekleed.
De watervarens bezitten een' door het midden van den
stengel loopenden eenvoudigen vaatbundel, uit teeltcellen en
eenige spiraalvaten (soms ook trapvaten) bestaande, die door
eenen kring verhoute cellen zijn omringd. In het daaromheen
gelegene parenchym loopen groote luchtkanalen. De zich aan
de stengels als bladeren voordoende deelen dienen — even
als bij de varens — als stengelvormingen beschouwd te
worden. De opperhuid is niet bij alle hiertoe behoorende
planten aanwezig. De tot deze groep gerekende gewassen le-
veren zooveel verscheidenheid in hun maaksel op, dat men
zich alleen uit bijzondere beschrijvingen van elk op zich zelf
eene juiste voorstelling van hunne inrigting maken kan, —
hetgeen intusschen hier te ver leiden zou.
De wolfsklaauwigen eindelijk — waarvan evenzeer in vroe-
(*) Onder „geleed" verstaat men die wijze van verbinding van plantendeelen, welke
door breking gemakkelijk kan worden opgeheven of wel op een' bepaalden tijd van
zelf weder loslaat, en waarbij dan de breukvlakte of scheidingsplaats zich glad voor-
doet, ten gevolge van zekere eigenaardigheden in den bouw (overkruising van vaat-
bundel-vertakkingen, enz.). Zoo komen er o. a. vele bladeren, vruchtstelen, enz. voor,
die geleed zijn met den tak, waarop zij zich bevinden en op bestemde tijden van
zelf afvallen. De plaats, waar zoodanige verbinding bestaat, noemt men geleding.