Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
2
hoeden, waarin anderen — alleen op het uitwendig voorko-
men afgaande — vervallen zijn. (*)
Onder de sporeplanten vindt men het eerst bij de lever-
en loofmossen eene duidelijke stengel- en bladvorming. In de
stengels van vele levermossen vindt men langwerpige cellen,
bundelsgewijs door het midden heenloopende; overigens be-
staat het weefsel der stengels uit parenchym, dat in den om-
trek niet zelden verhout is. Eenige zijn ook reeds van eene
opperhuid met spleetopeningen voorzien. Meestal blijft de stengel
der bebladerde levermossen vlak langs den grond uitgespreid. De
tussehenknoopen der stengels zijn gewoonlijk vrij ontwikkeld.
Dit laatste is ook het geval bij de loofmossen, waarvan
velen in hunne stengels langwerpige parenchym- en teeltcel-
len bezitten, welke laatste of tot een door 't midden loopenden
bundel vereenigd zijn, of tot eenen cylindrischen ring, wier
cellen somtijds zoodanig verhouten, dat zij het overige paren-
chymweefsel in twee deelen — merg en schors — splitsen.
In beide groepen kan zich eene vertakking der stengels voor-
doen ; bij de loofmossen gaan aan het ontstaan der takken
knoppen (celgroepen) vooraf, even als bij de zaadplanten, aan
de binnenzijde van den voet der blaadjes ontspruitende. —
Lever- en loofmossen zijn gewoonlijk meerjarige gewassen en
zoowel bij de bebladerde lever-, als bij de loofmossen sterft
gewoonlijk de stengel langzamerhand van onderen af, terwijl
hij bovenwaarts voortgroeit. (Dit is o. a. niet zelden goed
waarneembaar in den turf, tot welks laagsgewijze vorming dik-
wijls bepaalde mossen het meest bijdragen.) Bij ons tieren de
loofmossen het weligst in de lente; de levermossen bovendien
in den herfst.
Bij de varens komen stengels of stammen voor, zoowel met
ontwikkelde als met onontwikkelde tussehenknoopen (z. b. bl.
138). In het eerste geval blijven zij dikmjls onder den grond
in min of meer schuinsche rigting voortgroeijen, terwijl zich
alleen de op bladeren gelijkende takken daarboven verheffen,
óf rijzen zij langs andere voorwerpen als klimplanten op. In
het- andere geval treden zij boven den grond uit, en, wan-
neer zij niet aan hun onderste gedeelte voortdurend afsterven
(•) Zoo zijn O. a. de zoogenaamde blaadjes van het eendenkroos (Lemna) niets dan
bl-idvormiffe stengel-uitbreidingen.