Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
137
wortel. Alle wortelstokken duren langer dan een jaar, en wan-
neer nu des winters het boven den grond gelegene gedeelte
der plant sterft, ontspruiten uit de inmiddels op den wortel-
stok gevormde knoppen in het voorjaar weder takken, die
zich dan als nieuwe stengels boven den grond verheffen.
Wanneer gij dus planten aantreft, waaraan gij onmiddellijk boven
de oppervlakte der aarde bladen aantreft, dan kunt gij zeker zijn,
dat hun drager, d. i. het stengelgedeelte der plant, zich onder
den grond bevindt. Bij opgraving zal u dit dan ook blijken,
waarbij gij echter niet zelden den wortelstok tot eenen kleinen
omvang beperkt zult vinden, of wel, in stede van een' wor-
telstok, bollen, knollen, enz. ontmoeten zult, over wier maaksel
hieronder — ter plaatse, waar over de knoppen gehandeld
wordt, — het een cn ander opgeteekend is.
Wij noemden zoo even »tusschenknoopen" als kenschet-
send voor den wortelstok, en zeiden, dat zij zich in den regel
daarop als onontwikkeld voordoen; dit vereischt eenige ophel-
dering. Boven (bl. 113) werd u gezegd, dat, wanneer gij het-
geen er bij het kiemen plaats heeft, naauwkeurig opmerkt, gij
u daardoor eenigzins den weg hebt gebaand, om ook van het
later voorvallende eenig begrip te verkrijgen. Daarbij geschiedt
namelijk de ontplooijing van het knopje der kiem en dit groeit
dan uit tot een stengeltje met het eerste blad of de eerste
bladeren, daaraan bevestigd (waarmede hier natuurlijk de
zaadlobben niet bedoeld worden). Na korter of langer tijd,
terwijl dit stengeltje met zijne bladeren uitgroeit, kan zich aan
zijne uiterste spits of wel zijdelings, aan den l)innenkant na-
melijk van een dier bladeren, een nieuw knopje vormen, het-
welk op zijne beurt, bij uitgroeijing, bijdraagt tot verlenging
van het eerst gevormde stengeltje of in het tweede geval (bij
zijdelingsche knopvorming) tot het ontstaan van een tak, die
somwijlen van nu af geheel de rol van den hoofdstengel over-
neemt, wanneer namelijk het eerst gevormde stengeltje ophoudt
verder te groeijen en afsterft (vergel. hierboven de vorming
van wortelstokken). Zal zich nu echter de stengel regelmatig
verlengen, dan wordt hiervoor óf alleen eene herhaalde knop-
vorming aan zijn uiteinde vereischt, óf bovendien eene uitgroei-
jing in de lijnregte rigting van de deelen, waaruit hij bestaat.
Iedere nieuwe eindelingsche stcngelknop vormt dan een nieuw