Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
133
dcrscheiden zij zich meerendeels door huune gaffelvormige
splitsing.
Ten opzigte der ontleedkundige zamenstelling van de wor-
tels dient men wel op te merken, dat nog zeer veel te on-
derzoeken is overgebleven, doch dat er reden bestaat, om
niet — gelijk tot dus ver vrij algemeen is aangenomen —•
den bouw van wortels en stengels als nagenoeg geheel over-
eenkomstig te beschouwen. In de eerste plaats vormt reeds
het wortelmutsje (z. b. bl. 118), hetwelk bij geenen wortel
ontbreekt, een kenmerkend verschil tusschen beiderlei deelen ;
de levende spits van den wortel is met de afgestorvene
cellen-lagen, waaruit dit mutsje bestaat, verbonden door mid-
del van eene midden door het laatste heenloopende streng van
cellen. Deze levende spits — de plaats, waar de wortel in
lengte toeneemt, — bestaat uit jeugdig parenchym (z. b. bl. 70).
liet epiblema (z. b. bl. 90), waarmede de wortels in hun-
nen jeugdigen toestand bekleed zijn, is dikwijls met fijne
eencellige haartjes bezet, die echter, doordien de ojiperhuid
sjioedig verhardt of sterft, daar zij door
kurkcellen verdrongen wordt, slechts kor-
ten tijd bestaan blijven; aan de verder
groeijende spits der wortels ontstaan ge-
durig weder nieuwe haartjes.
De wortels der tweezaadlobbigen bezit-
ten gewoonlijk geheel in het midden een
merg (z. Ii. bl. 87), door een vaatbundel-
kring omringd, hetwelk meestal een gerin-
ger' omvang beslaat dan in de stengels;
de rigting en splitsing der vaatbundels verschillen evenzeer
in wortels cn stammen. Het hout- en bastgedeelte der wortels
bezit veel wijdere cellen dan dat' der stammen, waardoor
wortelhout ook zoo veel ligter is en bij verbranding een veel
porcuser kool levert dan het hout der laatsten; de jaarringen
(z. b. bl 89) van het wortelhout zijn gemeenlijk breeder, de
mergstralen minder in aantal dan in den stam. De inhoud
166. üo spits vaii een' wortel, niet wortelharen en wortelmntsje.