Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
121

145. Luchtwortels.
blad,) door het een of ander toeval met den grond in aanra-
king kwamen.
Intusschen vormen zich de bijwortels niet alleen in den
bodem; ook daarboven ontstaan zij dikwijls. Daarvan levert
b. v. de maïs een duidelijk voorbeeld, waarvan de stengel
namelijk ringvormige ver-
h-^/' hevenheden bezit, waaruit
soms tot aan de vijfde bo-
ven den grond talrijke bij-
worteltjes ontstaan, welke
zonder bedekking met aarde
spoedig ophouden te ont-
wikkelen, doch wanneer men
de aarde ophoogt tot daar,
waar zij zich bevinden, re-
gelmatig uitgroeijen. Bij het
kweeken van meekrap, waar-
van de wortels de zoo ge-
zochte roode kleurstof ople-
veren, heeft eene dergelijke ophooging met aarde de ontwikkeling
van een groot aantal bijwortels ten gevolge. Zoo leven er
onder de keerkringen zeer vele boomvormige gewassen, die,
vooral wanneer de bodem, waarin zij gezeteld zijn, moerassig
is, zich door de vorming van bijwortels onderscheiden, welke,
door den stam heendringende, zich naar de aarde keeren en,
wanneer zij deze bereiken, tot steun van den slanken stam
bijdragen. Deze luchtwortels, gelijk men ze noemt, gelijken
dikwerf op dikke, strak gespannen touwen, en dalen niet zel-
den uit eene hoogte van 12 tot 15 voet neder, eene soort
van omheining rondom den stam vormende. Een der merk-
waardigste voorbeelden vormt in dit opzigt een o. a. in Oost-
Indie inheemsche boom, gewoonlijk baniaan of indische
vijgenboom genoemd (*). Stel u eenen buitengewoon dikken
145. Het onderste gedeelte van den stam eener ï*anddnxis. Zoo als in deze figuur is
voorgesteld, vindt men de luchtwortels meestal bij zulke in onze broeikasten gekweekte
boomen. In de vrije natuur, op hunne oorspronkelijke groeiplaatsen, groeijen zij echter
veel magtiger en wijder uiteen.
(*) Deze namen worden op verschillende soorten toegepast. In 't Latijn noemde men
ze vroeger l'icui indica, hénjaminea, réligiósa, enz., doch tegenwoordig beschouwt men
ze als soorten van het geslacht UrosUgma. (Zie: miquel, Flora van Nederl. Imlir, 1860,
Dl. I, afd. 2, bl. 332 en volg. — jungiiuiin, Java, 1853, 11de afi., bl. 288.)