Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
120
overige bijwortels, en zoo wordt ook in lum maaksel geen
verschil opgemerkt mot dat van echte wortels. Zij kunnen
dezen dan ook geheel vervangen. Dit nu is, gelijk reeds ge-
zegd is, bij nagenoeg alle eenzaadlobbigen het geval. Hierbij
verdient dan ook de aanleg van het worteltje in de kiem niet
den naam van wortelknop; die aanleg toch groeit zelf niet tot
eenen wortel uit, maar bestaat uit een weefsel, waardoorheen,
van binnen uit, de eerste bijwortelknoppen doordringen, en bij
de kieming van ecnzaadlobbige planten treden dan ook uit
het asgedeelte der kiem een of meerdere bijwortels te voor-
schijn. Uit dezelfde streek (welke later het onderste gedeelte
van den stengel of stam vormt) kunnen daarna
nog meerdere bijwortels rondom de eerste ont-
staan, waarbij dan vaak, in de-
zelfde mate als er nieuwe krin-
gen bijwortels rondom de oudere
gevormd worden, deze binnenste
afsterven.
Doordien nu in den regel daar,
waar vaatbundels voorkomen,
omringd door parenchymweefsel,
hetwelk voor verderen groei
vatbaar is, o. a. wortelknoppen
kunnen ontstaan, is het verklaarbaar, dat men niet zelden
nevens eenen echten wortel ook uit het onderste gedeelte van
eenen stengel of stam zelfstandige bijwortels ziet uitspruiten.
Zoo berust ook het ontstaan van bij wortels aan afgesnedene
takken, die in den grond worden gezet (stekken), op dezelfde
oorzaak. Evenzoo kunnen zich bijwortcls uit het onderste ge-
deelte van bollen en andere knoppen ontwikkelen, gelijk gij
dit b. V. wel bij de hyacinthen of nageltakken, bij de welbe-
kende prei, enz. zult hebben waargenomen. Zoo is zelfs meerma-
len de vorming van bijworteltjes opgemerkt aan dikke, vleezige
bladeren (b. v. van aloë's, enz.), wanneer dezen, in nog leven-
den toestand, (soms zelfs slechts een gedeelte van zulk een
tijwortds.
lU. Haarvormije
bijwortsls.
143. Van de gele affodielje (Aqihodélus ISteus). Wegens de vleezige ontwikkeling en
den bijeengedrongen stand dezer bijwortels, noemt men ze : bundelvormig.
144. Zulke fijne bijwortels hebben b. v, de meeste grassen men noemt ze ook wel:
vezel wortels. (Over wortelvezels, zie de noot 142).