Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page

112
zaadlobben vrij dik zijn, doordien zij soortge-
lijke stoffen bevatten, als die, welke in het
kiemwit voorkomen. Zoo lang deze kiemen nog
jong zijn, kan een oningewijde zich ter naau-
wernood voorstellen, dat die groene of gele
lobben als de eerste bladen van de kiem be-
130. Eenzaadlobbige
kiem.
]3i.Twee-
zaaölobbig
zaad, mi
kiemwit.
132. Twee-
zaadlobbige
kiem.
. De vorige, öQtkiemi].
schonwd moeten worden; slaat men echter de veranderingen
gade, welke daarin zoo vaak waarneembaar zijn, zoodra de
kiem onder de daarvoor vereischte omstandigheden verder
uitgroeit (d. i. ontkiemt), dan komt het bladachtige karakter
130. De kiöm der vorige, iets meer ontwikkeld en overlangs doorgesneden. Van
den zaadlob (et) is dat gedeelte (6 &), hetwelk het stengelknopje (ƒ) als eene
scheede omsloot, bovenwaarts geborsten, waardoor dan dit knopje vrij te voor-
schuil komt; ook is het worteltje (c) eenigzins langer, maar houdt — gelijk over 't
algemeen bij de grassen en bij schier alle overige eenzaadlobbigen — spoedig op
verder te groeijen, zoodat men een ander wortelvormig dftel (zoogenaamde ibij-
wortel") op die hoogte ziet uitspruiten; in de afbeelding is .slechts een gedeelte
daarvan {d) voorgesteld. Bij e begint het stengeltje. Wanneer gij u dc natuurlijke
grootte van graankorrels herinnert, dan springt hot van zelf in 't oog, dat de
hier geteekende figuren deze voorwerpen in 4- tot 12malige vergrooting voorstellen.
131. Een lijnzaadje {Unum sativum)^ overlangs doorgesneden. Op het buitenste,
vrij dikke zaadschilletje volgt het kiemwit, waarbinnen de kiem gelegen is. Deze
laatste ziet er op deze doorsnede eenigzins als eene schaar met vrij lange ooren
uit. Het onderste uiteinde hiervan is het worteltje, terwijl die ooren de twee
zaadlobben zijn. Tusschen deze beiden in ligt het hier nog nagenoeg niet zigtbare
knopje.
132. De kiem van het vorige, na weeking; van onderen het worteltje; van boven
een der beide zaadlobben, van terzijde gezien.
133. Daar het worteltje zich verlengd heeft fa), wordt het geheele zaadje opgehe-
ven; onder den grond is het worteltje nu vertakt {d ö). Bovenwaarts vindt men (c)
het knopje van den toekomstigen stengel tusschen de nu van elkander gewekene
zaadlobben (& h).